De maat raakte vol (11)

Eerste Boek – Niet zonder tegenzin

Het is niet zonder tegenzin dat DSR de schrijfpen ter hand neemt om op herhaaldelijk en bijna intimiderend verzoek van Heer Rozenwater enige gedachten omtrent zijn geloofsleven aan het papier toe te vertrouwen. Zucht Hij weet immers dat het Heer Rozenwater nooit erg genoeg kan zijn en alles wat DSR prijsgeeft, tegen hem zal worden gebruikt door deze, naar hij zelf denkt, ongelovige zeloot met bekeringsdrang, die Saul van Tarsus op de onverbiddelijkste manier navolgt. (Zijn Paulus-moment zal ongetwijfeld komen, ooit, wanneer de weg naar Damascus weer is vrijgegeven. Ondertussen zitten wij er maar mooi mede.) Zucht Voor het geloof, of wat Heer Rozenwater daar zo graag voor door wil zien gaan – ‘t zal hem nog tegenvallen – moeten we terug naar de jeugd van DSR. gereformeerd wandelen Op het platteland, in de nadagen van een gereformeerde midden-orthodoxie die nog was gevormd door de volgelingen van Abraham ‘de Geweldige’ Kuyper. Hun invloed was tanende – het CDA was nog niet zolang geleden opgericht- maar dat zagen we pas achteraf. Voor nu stonden hun bobbelige kaken, fors als de ezelskinnebak van Simson, nog even stram vooruit als de instituties die ze hadden gevestigd: de Kerk, de School, de Omroep. De vanzelfsprekendheid van de leer, toegepast op het leven, zorgde voor kalme rust, waarin vragen weliswaar mochten worden gesteld, maar dit was zo ongewoon dat deze eerder op een verstild peinzen, en verbazing, dan op afkeuring werden onthaald – zolang het niet te gek werd. Het was bovenop dit drassig laagveen, onder altijd veranderende luchten, dat DSR … [wordt vervolgd] laagveen

Tweede Boek – Een bijgelicht levenspad

… ’s gedachten werden gevormd. Zijn levenspad werd bijgelicht, en somstijds verduisterd, door figuren van formaat: zijn Ouders, zijn Onderwijzers, de Dominee en de Catechiseermeester. Wat was het lief, wat ging het eenvoudig. Handjes vouwen, oogjes dicht en zeg het maar mee ‘Ik ga slapen, ik ben moe/sluit mijn beide oogjes toe/ Heere, houdt ook deze nacht over mij getrouw de wacht.’ Maar uiteraard werd ook de medemens bedacht: ‘Zorg voor de arme kind’ren, Heer / En herstel de zieken weer’. En dan nog iets, maar dat is DSR vergeten. En dat onder de liefdeleiding van DSR’s Moeder, een keurige vrouw waar niks op aan te merken valt. Uit de grote stad afkomstig wekte zij enige bovenvermelde verbazing door te ijveren voor de toelating van Veronica in het publieke bestel, hetgeen toch maar mooi 15 leden opleverde. Sommige van de ezelskinnebaksmannen, waaronder DSR’s Grootvader, fronsten hun borstelige wenkbrauwen bij het behartigen van een dergelijk niet-christelijke zaak. Maar het was niet erg. DSR’s moeder verstond zich op vrolijke wijze met ouderen, de moderne tijd aanhangend zonder het oude af te zweren. Toppop en de NRCV op een gezellig televisie-avondje, het kon allemaal. Zelfs toen Moeder, geheel tegen de heersende wijs … [wordt vervolgd] veronica

Derde Boek – Vriendschap met een Hervormde

… vriendschap sloot met een Hervormde (!) in plaats van Gereformeerde buurvrouw vroeg Grootvader slechts: “Je weet toch wel da dat een Hervormde is?’, waarop Moeder “Ja, Vader” antwoordde en Grootvader zichtbaar dacht “Oh – tsja – nou ja”. Toch waren er grenzen. Toen Moeder om praktische redenen voorstelde om de kleine DSR naar het Hervormde kleuterschooltje te sturen -en bij zichzelf dacht dat dat bekrompen sektarische gedoe maar eens afgelopen moest zijn- deed Vaders blik niet onder voor een hamerslag, terwijl hij Eindoordeelde: “Dat gebeurt niet! Ik ben naar de Gereformeerde School geweest en hij gaat ook naar de Gereformeerde School!” Zo, dat had Moeder niet gedacht. “Oh – tsja – nou ja”. Maar ze had er vrede mee. DSR  is Vader nog altijd dankbaar voor zijn kordaat ingrijpen. Waartoe zou een dergelijke ontworteling hebben geleid anders dan tot isolement, in een dorp waar de grenzen weliswaar vervaagden maar waar sommige loopgraven tot op de dag van vandaag nog zijn betrokken? En dan nog … de Hervormden – tsss. Je mocht niet uitsluiten dat ze ook naar de hemel zouden gaan, maar als DSR een Hervormde was geweest, dan was hij er niet gerust op. Waar koopt je moeder haar … [wordt vervolgd] hervormde school

 Vierde Boek – De ouwe wijven

…broo-hood?”, kweelden de ouwe wijven, van dat was immers de lakmoesproef voor de Goed-Gereformeerde (en voor de Hervormde evengoed): haal je je brood wel bij een bakker van de kerk? Laat je je haar wel knippen bij een broeder of zuster? DSR, een klein potje met, tot verdriet van z’n ouders, hele grote oren, zei dan zonder aarzelen: “Bij de melkboer!” (Fout, dat was een Hervormde). “M’n vader zegt: dat droge brood van Gaarderbal moeten we niet – laat ‘m dat maar mooi zelf opvreten!” “Oh ja?”, koerden de ouwe wijven, elkaar verschrikt-vergenoegd aankijkend. “En bij de Vivo hebben ze verrot gehakt!” (alweer fout: die was immers ‘van onze kerk’). Zedige handjes voor de ouwewijvenwaffels, glimmende oogjes. Ja, voor DSR ouders was die loslippigheid toch een gedurig kruisje, want ondanks verschillende gesprekjes, bleef de kleine DSR, weliswaar met afnemende, maar niet minder beschamende regelmaat, het bestaan om zijn volk op deze manier over de straat te brengen – tot op school aan toe. De School. De Gereformeerde School – met ministeriële dispensatie vernoemd naar …  [wordt vervolgd] melkboer

Vijfde Boek – Het Wilhelmus

een Oranjevorst die op dat moment haar titel niet meer bezat, maar die in haar vorige statie zoveel voor het vaderland had betekend dat het schoolbestuur in Den Haag de gunst heeft afgesmeekt deze toch te mogen gebruiken toen het hout van de toenmalige ‘Finse’ school van vlak na de oorlog werd vervangen door steen. Op School waren God en zijn dienst op goedmoedige wijze alomtegenwoordig. Er werd voor waarheid verteld dat de koningin weliswaar dol was op het Wilhelmus, het allicht alle dagen liet zingen, maar dat het zesde couplet ‘Mijn schild ende betrouwen, zijt Gij oh God mijn Heer.’, haar het aller-, allerliefste was – vanwege dat ‘God mijn Heer’ natuurlijk. De maandag was het godsvruchtigst. Na de algemene start in de ‘gemeenschapsruimte’ (waar bij DSR’s weten nooit om gegniffeld werd) met canonzang en een overdenking met gebed, werd in de klas de gelegenheid geboden om aan de zending te geven, meer in het bijzonder ten bate van een watervliegtuig van de Hernhutters in Suriname waar brandstof in moest. Per rij werden de kinderen, althans degenen die wat bij zich hadden, naar voren geroepen. Het waren natuurlijk altijd dezelfde sukkelaars die niks bij zich hadden. Dat werd soms ook wel benoemd. DSR had altijd een glimmende gulden bij zich, elke week, zes jaar lang, die hij zonder enig spoor van een mild-triomfantelijke glimlach in het busje deed rinkelen. De meesters aarzelden niet om in de latere leerjaren een en ander in voorgaand verlengde van de rekenles te vatten: ‘Hoeveelste deel van de rij heeft iets gegeven? En hoeveel procent is dat?’ Zelf deden ze nooit iets in het busje, althans niet in de klas. Maar we mogen aannemen dat elke maand iets van het lerarensalaris werd geschonken ten bate van de ondersteuning en bekering van de arme mensen in de warme landen. Nadat de offers waren gebracht, werd Gode geloofd met zang, trommels en cimbalen, zoals de Bijbel wil, maar dan meestal zonder de laatste twee. Vanaf groep 4 moest elke week een psalm of gezang uit het hoofd worden geleerd, die op maandag voor een beoordeling moest worden gezongen. Een voor een. Als je de tekst vergat, moest het ‘s middags overnieuw. Falen was dan uitgesloten. De baard … [wordt vervolgd] hernhutters

 Zesde Boek – Een stem als een klokje

…in de keel was geen excuus voor een mildere beoordeling. Alle woorden moesten op juiste toon en hoogte worden voortgebracht, anders wachtte na de middag de herkansing. DSR heeft aan dergelijke beslommeringen nooit deel gehad. Zijn stem klonk als een helder klokje en de tekst was zelden een probleem. Eens werd op vrijdagmiddag het gehele lesprogramma omgegooid omdat de maandagzang op een catastrofe uit dreigde uit te lopen. Het was dan ook wel een erg onbekend gezang met een lastige melodie (Gez. 170 – ‘Meester zoekt u wijd en zijd’) http://www.youtube.com/watch?v=Baxc9fbBNcc Maar DSR kent het nog van buiten, en zingt het soms nog wel eens als hij over straat slentert, kauwend op prachtige woorden als ‘oud’ren gaan rustig- welbereid/jongeren aarz’lend U tegen’, zich huiverend gered wetend bij de ontknoping: ‘Maar vroeg of laat / ‘t zij dag of nacht / Eens vind G’ons moe en zonder kracht/Hunkerend naar Uwe zegen’. En dat was ook de bedoeling – je een rijke bagage aan geestelijke liederen mee te geven, die je je hele leven bij zouden blijven. Want, zoals de dominee eens uitlegde: ‘Je weet maar nooit of je nog eens in het concentratiekamp komt of een kasplantje wordt en je kunt geen Bijbel of liedboek meer lezen. Dan moet je het doen met wat je nog weet.’ Dat DSR ten bescheid gaf dat hij hoopte ontstekkerd te worden, mocht het ooit zover met hem komen, werd fronsend genegeerd. Aan echte tegensprekers is immers geen behoefte. Maar dat was pas later, op de Catechisatie. Op School waren verschillende onderwijzers eigenlijk mislukte dominees. Ontroerd kon men over het Goede spreken, zich echter bewust van de menselijke zwakte. ‘Als Hiter had gezegd, “Ja Juf Beestjes, u mag de kinderen niet meer van Jezus vertellen, dan had ik het zo net nog niet geweten”‘, zo gaf de vaste invalster ruiterlijk toe. ‘En als ik dan over het schoolplein loop, dan zeg ik wel eens: “Jongen! Meisje! Je mag … [wordt vervolgd] muziekboek

Zevende Boek – De tafels van vermenigvuldiging

… alles vergeten wat je op school hebt geleerd, zelfs dat een en een twee is, als je maar onthoudt dat de Heere je Herder is!”, aldus de onderwijzer der tweede klasse, die de de tafels van vermenigvuldiging er met de strijdlaars had ingestampt, omdat er niks van je terecht zou komen als je ze niet in een adem kon opzeggen – een strikte voorwaarde voor het felbegeerde Tafeldiploma, waarzonder je geen compleet mens was. Ach, wat heeft DSR toch bedroefde uren doorgemaakt aan de keukentafel. Het was zoveel om te onthouden, nog moeilijker was het opzeggen, wat hij is immers eerder een Mozes dan een Aaron, en dat in wetenschap dat de overhoring voor de klas de volgende morgen zou plaatsvinden – nog voor het schoolzwemmen, een ander hardhouten kruis dat DSR’s schouders tot bloedens toe schuurde, dwars door de dunne jongenskiel heen. Enfin, zes jaar lang leefde DSR toe naar het moment dat de meester, in de grond een goed en welmenend mens, zijn hand op zijn schouder zou leggen voor het doordringend vroom vermaan. DSR had zich voorgenomen trouwhartig te knikken en te vragen of hij zelfs de tafels mocht vergeten – maar het is er niet van gekomen. Nu kan het zo zijn dat DSR in de ogen van zijn leraren een dergelijke toespraak niet nodig had maar het is waarschijnlijker dat de meester schromelijk overdreef. Hij heeft het befaamde toespraakje nooit tot niemand uit DSR’s klas gericht. Aldus baadden DSR’s eerste jaren in het helder, stichtelijk licht van een zekere leer en een correcte voorleving. Maar toch was het al vroeg dat de Twijfel haar stralen deed deemsteren, zelfs van voorbij de horizon. Toen DSR acht … (wordt vervolgd) schoolzwemmenDSR

Achtste Boek – Twijfels over het Geloof

… was, deed voor het eerst de Twijfel haar intrede. Wonderen allerhand – akkoord, je bent God of je bent het niet. Maar is het wel echt zo? Ze zeggen van wel, maar wat is daar het bewijs dan van? Met bedrukt gemoed ging DSR naar Vader en Moeder. “Ik heb Twijfels over het Geloof”, sprak de jonge wiesdompe bedrukt, de hierboven uiteengezette bezwaren beknopt uiteen zettend. Moeder luisterde ernstig, fronste haar gezicht, want dit waren natuurlijk geen mooie dingen. Gelukkig kon ze DSR met kennelijk gemak geruststellen, met een eenvoudige weerlegging van zijn bezwaren, die hem alleszins redelijk in de oren klonk. “En niet zoveel piekeren, hoor!”, besloot Moeder met een tenauwernood herwonnen luchtigheid die de laatste twijfels deden oplossen als ochtendmist op een zonnige herfstdag. M’n kop eraf als ik nog zou weten wat Moeder had gezegd! DSR herinnert zich nog de uitwerking van de milde geestelijke balsem die moeder op z’n bezwaarde borstje had gesmeerd, maar zou met geen mogelijkheid de samenstelling kunnen achterhalen. Jammer hoor. Maar Moeders uitleg gaf maar voor even uitredding. Het duurde niet lang of DSR werd alweer aangevochten door die nare Twijfel, die het zingen van het versje onoprecht maakte, en het gebedje saai. Waar kwam die Twijfel dan toch vandaan? De boekenkast van ome Aad, elke paar maanden weer aangevuld met een nieuwe uitgave van Readers Digest, stond centraal. Wat een bron van kennis, wijsheid en stichting, op vele levensterreinen! ‘Ciske de Rat’ in beknopte versie, met foto’s uit de verfilming van de jaren vijftig, ‘Landelijk Nederland’ met nuttige wenken om vogels de herkennen, de Medische Encyclopdie … maar bovenal: ‘Twee miljoen jaren beschaving’. En in dat boek stond de ongehoorde gedachte dat het leven op aarde zich in de loop van miljarden jaren (!) had ontwikkeld, waarbij de mens er miljoenen jaren over had gedaan om zich op te richten en de aarde te bevolken. Kennismaking met de evolutietheorie was als het eten van de Boom der Kennis van Goed en Kwaad. De wereld zou nooit meer hetzelfde zijn. Niet dat DSR dergelijke hoogdravende gedachten had op dat moment, maar er liep een rilling over zijn rug. Dit was anders dan wat hij tot nu toe had geleerd. De eerste volwassene om over de nieuw-opgedane kennis te bevragen was de hoefbekapper, een rauwe vent die slechts kon schreeuwen in plaats van praten. Gezeten met een flesje bier in zijn enorme klauw luisterde hij met een half oor naar DSR’s geratel om vervolgens te besluiten: “Ja mar, dat kan toch hielemoale niet wat a’j doar zegg’n. Heb ie d’r wel ies van e-heurd dat d’r mens’n uut de boss’n koom’n die as vrogger aap’n binn’n e-west! Hahaha!” Ja, verrek. Daar zei die man zo wat. Dom van DSR om zich zo door een boek in de luren te laten leggen! Daarmee was de kous … [wordt vervolgd] boomkennisgoedenkwaad

Negende Boek – Trekken en pulken

…voor het moment weliswaar af, maar al snel begon de herwonnen zekerheid rafelrandjes te vertonen die nader trekken en pulken onweerstaanbaar maakten. Want ‘s hoefbekappers argument dat DSR tijdelijk had overrompeld, bleef bij nadere bestudering van de Readers Digest- en andere boeken natuurlijk niet overeind. (Daar kwam nog eens bij dat zijn reputatie als ondervindend onderzoeker zich tegen de hoefbekapper keerde. Hij zette immers zonder aarzeling zijn tanden in een rauwe, weliswaar reeds schoongemaakte en gepekelde maar ongerookte palingrug, om deze ‘niet zolte genog!’ te verklaren. En over zijn malle sprongen nadat ie z’n kont met glaswol had afgeveegd, werd nog lang verhaald bij de plattebuiskachel. Dan gaat iemands mening over de evolutietheorie uiteindelijk toch minder zwaar wegen.) Vanaf een jaar of tien werd het voor DSR en zijn makkers duidelijk dat de Meesters ook de wijsheid niet in pacht hadden. Op de vraag of een diplodicus sterker was dan een tyrannosaurus rex kwam het antwoord dat de dinosaurus waarschijnlijk het sterkste was van allemaal. Zucht En toen uiteindelijk tijdens de Bijbelse geschiedenisles de Vraag der Vragen (‘hoe kan dat nou de God de wereld in zes dagen heeft geschapen’) was het ongemak bij de Meester zichtbaar. Het liefst had hij een sigaretje op willen steken. Maar hij keek ernstig uit het raam, naar een onbekende verte, draaide zich tenslotte weer om en zei: “Jongens, da’s een moeilijke vraag”. Inderdaad. Een bevredigend antwoord werd dan ook niet gevonden. Al kon de Twijfel wat worden gedempt, uiteindelijk werd ze toch meer gevoed door dingen als: “In de tijd van de Bijbel werd met een dag een veel langere periode bedoeld”. Maar dat botste weer dan met Methusalem. Die was meer dan 900 jaar oud geworden. En natuurlijk leefden de mensen in Bijbelse tijden langer en had God en ook nog wat over te zeggen, maar die ‘jaren’ moesten we maar niet zo letterlijk nemen. (Terugkijkend was e.e.a. best wel sympathiek. Geen machtswoord of dooddoener, maar een poging tot antwoorden van iemand die er zelf ook wel eens mee zat.) ‘Niet zo letterlijk nemen’ – de bulldozer aan de wortel des geloofs! Je wordt geacht om van allerlei wonderspreukigs voor waar aan te nemen – dingen die niemand zou geloven als je er zelf mee aan zou komen zetten- maar tijdens de Bijbelse Geschiedenis en in de Kerk bestonden dan even andere regels! En dat strookt natuurlijk niet met de rechtlijnigheid der jeugd, wier hart nog niet ontvankelijk is voor de spirituele betekenis die een tekst ook kan hebben. Ondertussen bleef het beeld van God als persoonlijke begeleider op het levenspad wonderbaarlijk intact. Schietgebedjes en smeekbedes bij verloren vulpennen, ruzies en dreigende vechtpartijen, zoekgeraakte stuiterballen, zieke grootmoeders, hongerende kindertjes in Afrika en de zure regen – je kon ervoor bij de Heere terecht. Op School werden dan ook duidelijke richtlijnen uitgevaardigd: eerst lofprijzen, verootmoedigen (God om vergeving vragen voor je zonden), dan voor een ander bidden, pas als laatste iets voor jezelf vragen. En toch kwam er langzaam maar zeker verwijdering, net als van je ouders. De Rede, de Puberteit, het komt de godvruchtigheid niet ten goede, zeker niet als het gepaard gaat met een toenemend begrip van wat er op zondag…) (wordt vervolgd) Methusalem en DSR

Tiende Boek – Een zoutkorrel voor elke dag

(vervolg – een enigszins saai maar noodzakelijk tussenstuk. Een mooi werkje terwijl de tropennacht zwalmt, de kikkers kwaken en de spookkrabbetjes rondschieten) (DSR schrijft dit boek in Thailand, red.) … in de Kerk nou precies werd verkondigd. Want het was lulleficatie om van te ijzen, denkt DSR nog steeds, zelfs nu zijn algemene inzichten wat vermilderd zijn. Zo mochten we op zondag in de loop der jaren uit de mond van de Dienaar des Woord optekenen: “Dank u, Heere, voor de aardbeving in Japan [Kobe, 1995 – DSR], waarmee Gij ons in het Westen toch zo’n krachtige les heeft gegeven!” ”En de Joden….zij zullen allen verloren gaan!” Naar Paulus: “De vrouw hoort in de gemeente te zwijgen en zich te onthouden van zoete wijn!” ”Als er in de Bijbel staat dat de aarde plat is, wie zijn wij dan om dat in twijfel te trekken?” Met het verhaal over de Leviathan als bewijs: “Waarschijnlijk is er in de Ark een kleine dinosaurus meegegaan.” “Hoe leven wij in onze gezinnen? Ligt daar de Trouw op tafel? En de NRCV-bode? Want de weg van de Heer is niet die van de Telegraaf! Niet die van de Veronica-gids!” De zondag voor de verkiezingen van mei 2002, een dag voor de moord op Pim Fortuyn: ”De Heere ziet u… ook in het stemhokje!” En dat is dan nog het topje van de ijsberg, want DSR kwam maar onregelmatig onder het gehoor. (Voor de goede orde, het gaat hier nog altijd over die – binnen zijn denominatie strenge, maar in de praktijk doorgaans niet al te scherpslijperige – Gereformeerde Kerk waarvan DSR dooplid was. Uitspraken als hierboven werden evenals al te openlijke vrijzinnigheden op gefrons onthaald, soms leidde het zelfs tot discussie, maar formeel erop aangesproken werd een predikant niet. Later, allicht in Boek Elf of Twaalf, maken we kennis met de duistere spelonken van de Nadere Reformatie, en het Gekrookte Riet, waarin DSR jaren later in Staphorst zou afdalen). Desondanks begon de Kerk een steeds centralere plaats in te nemen. Op de middelbare school bestond het personeel niet uit gefnuikte zendelingen. Van een wekelijks Psalmvers was natuurlijk geen sprake meer en ook de Bijbel kwam niet meer op tafel. In plaats daarvan werd er elke ochtend voorgelezen uit ‘Een zoutkorrel voor elke dag’, een wekelijks verschijnend traktaatje, waaruit we leerden dat het toch een nare boel zou worden als niemand met elkaar wilde delen en iedereen z’n rotzooi maar op straat gooide. De titel gaf de geestelijke voedingswaarde dan ook uitstekend weer. ‘s Ochtends werd er kort en haast besmuikt gebeden. ‘s Middags was er één (zegge: 1) leraar die een gebed afraffelde – altijd hetzelfde en altijd kwamen de ‘arme sloebers in warme landen die nog geen stukje brood kunnen kopen’ voorbij. Lullig, maar doe het maar eens voor een klas vol veertienjarigen die strakgespannen staan om het lokaal meteen bij de bel uit te stormen. De godsdienstlessen waren van hetzelfde laken een pak: werkstukjes over ‘geboortekaartjes’, les over ‘Abbé Pierre’ en de niet-christelijke wereldgodsdiensten, waarbij dan weer wel sprake was van een objectieve uiteenzetting zonder protestants sausje. Op de achtergrond dreigde jarenlang ‘Ghandi’: ”Als jullie niet gewoon meedoen, zet ik de video weer aan hoor!” Vandaar dat de Kerk in het gat sprong door vanaf de middelbare school in de avonduren catechisatielessen te organiseren. De jongelui zouden dan door onderricht en discussie kunnen groeien in het geloof om dan rond hun twintigste tot belijdenis te komen. Yeah, right. Voor DSR was het een uitgelezen kans zijn tanden te scherpen, op dominees, catechiseermeesters en medecatechisanten. Want als jongeling heb je, zeker wanneer de Twijfel zijn haken in je vlees heeft geslagen, natuurlijk wel andere zaken aan onder meer je hoofd dan het verdiepen van het geloof. Het op één lijn stellen van Geloof en Kerk –onder hovaardig-minachtende verwerping van de laatste, ook vanwege alle dorpse beuzelarijen die erbij horen- is dan natuurlijk veel gemakkelijker. De weg van de minste weerstand, de Brede Weg, zoals de Schrift het noemt. Daarmee heeft DSR zichzelf –en in sommige gevallen zijn leermeesters- dan ook tekort gedaan. (wordt vervolgd) catechisatie

Elfde Boek –  De maat raakte vol

Wat je er verder ook van denkt, in vergelijking met de Roomsche praktijk om kinderen al op hun zevende in te lijven via de Eerste Communie is de protestantse traditie een voorbeeld van fair playMet kerkelijk godsdienstonderwijs – catechisatie – wordt pas vanaf de middelbare school begonnen, als de kritische vermogens beginnen te ontwaken. Eerst in de huiselijke kring met zes tot acht medeschaapjes, en daarna in een iets grotere samenstelling bij de Dominee. Wat een ellende, die huiscatechese. Je zit daar met een kopje thee en een rijkelijk geïllustreerd werkboek net als op school te redekavelen over slappe thema’s als ‘de doop’ en ‘symbolen’. Je doet dat onder leiding van aardige echtparen die behept zijn met goede bedoelingen en je weet je omringd door leeftijdsgenoten die de christelijke MAVO-school in het dorp bezoeken, en die jou van de lagere school nog kennen als het jongetje dat het doorgaans altijd beter wist. Mocht de zieltogende les dan onverwacht eens op iets interessants uitkomen, zoals de mogelijkheid dat het leven op aarde in een klap kan worden uitgeroeid door een komeetinslag, dan kijkt men je eerst onbegrijpend aan. Dan volgt verwarring, en daarna een voorzichting uitlachen om zulke ‘onwieze proat’. Als je vervolgens met priemende blik vasthoudt aan je punt – je zit tenslotte op het VWO en het MAVO-vee weet dat je niet geheel achterlijk bent, al kunnen sommigen je bloed wel drinken – dan wordt het ongemakkelijk, en probeert de catechiseerjuffrouw een ander onderwerp aan te boren. De volgende keer krijg je te horen dat Lucinda Klappers het nog eens heeft nagevraagd bij haar vader. Die is naast busschauffeur kennelijk ook extinctie-deskundige en volgens hem kan dat helemaal niet, dat van die komeet. Ozo. En altijd weer het mantra “Ja, maar je moet eens iets willen aannemen!”, ingezet door zowel catechiseermeesters als catechisanten wanneer de argumenten voor deze of gene (bovennatuurlijke) leerstelligheid geen vat bleken te hebben op DSR. Die werd van de weeromstuit nog vasthoudender, waardoor de medecatechisanten afhaakten en al zuchtend met rollende ogen het einde van de les afwachtten. DSR keek dan ook reikhalzend uit naar de ‘echte’ catechisatie bij de Dominee. Flink d’r tegenaan met iedere week een artikel uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis van Guido de Bres. Dat het MAVO-volk hem een al te grote belangstelling niet in dank zou afnemen, wist DSR – maar hij was gelukkig niet alleen. Samen met enkele andere geïnteresseerden probeerde DSR vat te krijgen op Dominee Nagel, een door vele wateren gewassen vergadertijger, glad als een aal en ijdel als een pauw, die in groot aanzien stond in de Synode, waar hij meer te vinden was dan in de gemeente. Die liet zich er door een paar eigenwijze catechisanten niet onder krijgen. En daar gingen we dan. Week in, week uit. De erfzonde, predestinatie … allemaal verwerpelijke onzin volgens DSR, en als het al zo was, dan zou je d’r nog niet aan mee moeten doen. Dominee ving het allemaal behendig op, zeer mild glimlachend, meeverend, geduldig, zodat je je na afloop afvroeg hoe het toch mogelijk was dat hij er weer mee was weggekomen. Omvergeglibberd, met boter en suiker afgeserveerd, geen bezwaar beklijfde. De medecatechisanten beperkten zich ondertussen tot meer praktische toepassingen: ”Mar dominee, as wi’j dan om tien veur twaalef vutgoan uut ‘t cafe, en wi’j koom’n om vief oaver twaalef thuus, is dattan ok teeg’n de zundagsruuuust?” Dominee verwees in dergelijke gevallen dan zuchtend en iets minder mild glimlachend naar het eigen geweten, dat in dezen maar moest spreken. Van lieverlee schakelde DSR over op grover geschut. Nadat de keurig gereformeerde aardrijkskundeleraar had gezegd dat er tijdens de Dordtse Synode (1618-1619, waar onder meer de Dordtse Leerregels over de uitverkiezing waren vastgesteld) meer hoeren dan theologen binnen de stadsmuren aanwezig waren, herhaalde DSR deze historische waarheid als argument om het destijds tot dogma verhevene in twijfel te trekken. Dominees gelaat verduisterde, en hij zei dat dit soort praat toch niet te pas kwam. De medecatechisanten vonden ‘t ook maar grof, hoor. Zo ging er een jaar voorbij zonder dat DSR een voet tussen de deur kreeg. Maar heel langzaam leken zich scheuren te vormen in het bastion van Dominee Nagel, waaraan DSR houvast dacht te hebben. De man ‘stond’ al meer dan acht jaar in het dorp. Dat is bijna twee keer zo lang als betamelijk wordt geacht, want zowel de predikant als de gemeente hebben baat bij doorstroming. Het gemor begon zachtjes aan te zwellen: wat was het toch een parmantig mannetje met z’n één meter zestig en het kabouterbaardje, dat hij naar eigen zeggen “had laten staan als teken van armoede”, nadat hij middenin een succesvolle loopbaan als winkelier had besloten om theologie te gaan studeren. Zijn vrouw ging er toen “als Ruth, die moest arenleze’n” op uit om ergens wat aardappelen op te scharrelen. En tot in lengte van dagen zou hij nog krom moeten liggen om de leningen, die hij vanwege zijn roeping had aangegaan, af te lossen. Als hij dat verhaal vertelde, en dat deed hij regelmatig, dan keek hij na afloop weltevreden in het rond. ‘Ja, zo’n dominee hebben jullie nou.’ Nadat de plaatselijke krant hem eens, tamelijk gemoedelijk, als ijdel had geportretteerd, werd er een half catechisatie-uur aan opgeofferd om die misvatting recht te zetten – net zoals die keer dat hij eens zijdelings werd genoemd in een column van Maarten ’t Hart. We moesten toch goed begrijpen dat het hier om een romanschrijver ging die uit de aard der zaak nu eenmaal de waarheid verdraaide, en die nog afvallig was bovendien. Wie nog niet op de hoogte was van ‘t schandalige stukje – en dat waren de meesten niet – die was het nu. De preken, die men aanvankelijk zo verfrissend en lichtvoetig had gevonden, begonnen steeds meer te vervelen. Steeds “voer ons Levensschip voort”, elke overledene werd “als een graankorrel in de aarde gelegd”. Zelfs leerdiensten over de catechismus, waarvan inhoud en diepgang werd verwacht, blonken uit in nietszeggendheid. Ondertussen waren er nog steeds veel mensen die hoog met dominee opliepen. Wat was die man toch een bruggenbouwer, zo vriendelijk en hij had met iedereen het beste voor. In de loop van het tweede catechisatieseizoen raakte de maat vol. Samen met medestrijder GVA stelde DSR een dossier op van alles wat hen dwarszat. Dit legden ze aan de dominee voor, ter bespreking, met een optie de conclusies naar de kerkeraad op te sturen als de uitkomst hen niet zou aanstaan. (Wordt vervolgd) Dordtse Synode

Twaalfde Boek –  Onttrokken aan de Gemeenschap der Kerk

Dit Boek volgt binnenkort. 

Dertiende Boek – Over een doorgezakte dominee

(DSR studeert inmiddels en leeft volop in de wereld. Maar zijn hart is nog vol wrok over de pijnlijke Onttrekking van destijds. Zijn belangstelling voor de godsdienst is gebleven, maar is louter verstandelijk, en immer spottend) Als weekendburger in het dorp van zijn jeugd, waarnaar hij regelmatig terugkeert, verkeert DSR in gezelschap van enkele soortgelijke jongelieden, die vanuit hun studentenwaanwijsheid het dorps- en kerkleven hooghartig en met een arrogante glimlach beschouwen. Niet dat daar geen reden toe is, het bekrompen volk bestaat voornamelijk uit karhengsten, maar DSR en zijn kameraden plaatsen zich in woord, kledij en gebaar bewust buiten de dorpsmainstream. Er wordt wat afgeouwehoerd – driftig, met verheffing van stem en daverende bierflessen tot het ochtendgloren – over het Leven, Kunst, Literatuur, Muziek, Politiek, dorpsgebeuzel en onherroepelijk Godsdienst en de Kerk. Er is zelfs een aanstaande dominee in het gezelschap. In deze geenszins heilige ambiance rijpt het plan om de Zwartkousen eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Grinnikend hijst men zich op zaterdagavond in de auto op weg naar een leerdienst een naburig rivierdorpje, want er zou een “doorgezakte” dominee staan. De verwachtingen werden ingelost! Na een ruim half uur niet-ritmisch Psalmgezang op hee-leeh nooh-teh – stuk voor stuk vier tellen aangehouden – en klaagkermend gebed door de zwetende man Gods, begon dan eindelijk de preek. DSR kan zich slechts de slepende, dwepende aanbidding herinneren: De lippen van Christus…ooooh….zij zouden spreken zulke zoete, stichtelijke woorden woorden tot onze zondaarsoren….. Het gelaat van Christus….oooooooh……hoe nobel zou het afstralen om ons inktzwart zondarengezicht…… De voeten van Christus….ooooooh…….zij zouden ons nimmer voeren naar goddeloze holen des vermaaks….. Enzovoort. “De billen van Christus…….oooohhh……..zij zouden zich nimmer verroeren, zelfs niet op de hardste kerkbanken!” gaf DSR tijdens de nazit ten beste. Hard gelach. Proost allemaal – ‘t was zeer vermakelijk. Het was natuurlijk makkelijk lachen. Zo’n doorgezakte dominee is immers een beklagenswaardig figuur. Binnen de Reformatorische gezindte, de ‘Zwarte Kousen’, is men voortdurend ten prooi aan verscheurende twijfel of men wel uitverkoren is om aan Gods eeuwige genade deelachtig te zijn. Het alternatief is de Eeuwige Dood, gedoemd om voor altijd buiten Gods heerlijke aanschijn te staan. En dat is allemaal voorbestemd van oeroude tijden, zelfs van voor de Schepping. Hoe jij ervoor staat, dat is tussen jou en God. Hij zal het je wel duidelijk maken. Of niet. Zo Hij wil. In het ergste geval ga je, door gebrek aan inzicht, het misverstaan van Gods tekenen, of de inblazingen van de Duivel, “met een ingebeelde hemel naar hel”! Het liefst zien de mensen dat je ermee worstelt, een crisis hebt, die breekt als een koorts na eindeloos bidden, kermen, smeken om Licht. En dat je je dan het Genadebrood toe-eigent. ‘”Sper dat vooogelbekkie maar oooopen”, jammert de dominee daarover. Het mag! Tenzij de duivel je voor de gek houdt natuurlijk. En als je dat niet doorhebt, dan loopt je “met de lamp op de rug”. Of God komt je nog eens te verzoeken in Zijn soevereine almacht. Maar wie het zich durft toe te eigenen, die mag aan het Avondmaal, zonder tegengehouden te worden door de tafelwachters. Die kan misschien wel ouderling worden. Die wordt gerespecteerd en benijd. Onder dergelijke omstandigheden is het aanvaarden van een ambt als Herder en Leraar van een gemeente meer dan menig domineeszenuw aankan. DSR heeft er wel gesproken die aan de lopende band stonden, omdat ze, eenmaal bevestigd in het ambt, geen beroep van een gemeente durften te aanvaarden, vrezend dat hun bekering toch nog slechts schijn zou blijken zijn. De Twijfel sijpelt dan als water door een lek dak en veroorzaakt in het ergste geval kortsluiting. De preek wordt steeds flemeriger, esoterischer, er wordt bijna lichamelijk verlangd naar de eenheid met Christus, heen- en weergeworpen als een notedopje op de woelige baren – tussen vrees voor de hel en hoop op genade. De dominee is doorgezakt. Maar ook flakkerende lantaarns werpen hun licht. Ons gezelschap was, ondanks de ruimschoots aanwezige aanleiding tot hilariteit en spot, onder de indruk van de spreekvaardigheid van de voorganger. Uit het hoofd, met een degelijke tekstverklaring, met een steile duik de diepte in zonder slap gelul over de Veronicagids. Het werd je aangezegd, dat je eigenlijk op zich niks voorstelt, ook al dacht je het uitstekend met jezelve te hebben getroffen. Hardcore-protestantisme dat Jakobs worsteling aan de Jabbok twee keer op een zondag herhaalt. Het smaakte naar meer. We besloten de Grote Kanonnen op te zoeken. dominee op kansel (wordt vervolgd) DSRAuteur: De Schrijvende Rechter (Feuilleton: Het Geloof naar de Schrijvende Rechter)

Advertenties

Auteur: Bas van Vuren

Schrijver. Rijmer. Kijker. Open en nieuwgierig. Kent veel beroemde mensen.

316 thoughts on “De maat raakte vol (11)”

  1. Nou dsr, mijn Piet heeft in ieder geval (haha: geval) geen “hangend gereedschap”. Maar wat mij meer opviel: er is een homofoob element actief aanwezig op Apiedapie (haha: aanwezig op Apie…) en dat element heeft het Komrij gedicht een neerduimpje gegeven! En ik weet bijgot niet waar die die gast nog meer met zijn duim in heeft gezeten…

    Like

  2. Henk, ik schat dat zo’n slordige 50-75% van je reacties hier over homofilie gaat – je “beschuldigt” reageerders regelmatig dat ze “nicht” zijn bijvoorbeeld (alsof het een ziekte of een gebrek is of om je voor te schamen) en doorgaans doe je dat volkomen off topic.

    Vaak doe je dit in tamelijk onfrisse bewoordingen, zoals de laatste zin van je reactie op 17:21 illustreert, Doorgaans een teken dat iemand ergens mee zit. Zou je niet eens een professionele hulpverlener bezoeken in plaats van het allemaal hier te laten lopen?

    Eerder heb ik je al gevraagd hoe je het zou vinden als ik dit soort gedrag op jouw site zou vertonen, daarop kwam geen antwoord en je verdween een paar weken. Verveel je je alweer? En kun je echt niet over een ander onderwerp schrijven? Er is hier voor zover ik kan nagaan helemaal niemand die om je lacht. Er is ook voor zover ik kan nagaan niemand die je reacties waardeert. Men vindt het, voor zover ik kan nagaan, een beetje sneu.

    Like

  3. Het werd je eens aangezegd, dat je eigenlijk op zich niks voorstelt, ook al dacht je het uitstekend met jezelve te hebben getroffen. Hardcore-protestantisme dat Jakobs worsteling aan de Jabbok twee keer op een zondag herhaalt … ah, dsr, ik zie dat u het heeft begrepen.
    PS die Apiedapie snapt d’r ook helemaal niks van. Zo’n mooi gedicht van Komrij is voor hem als paarlen voor de zwijnen werpen.

    Like

  4. @Apiedapie
    Doe is met bewijzen, linkjes bijvoorbeeld, komen, waar ik reageerders(meervoud!) beschuldig dat ze nicht zijn? (Jouw woorden.., jouw insinuaties…), nou, nou? En kom ‘ns met bewijzen van 50/75% schatting van jou… nou nou? Het lijkt mij, nou ja, 50 tot 75% van mij, projectie van jou)
    Ik wacht, ik ben benieuwd. Mijn geweten is schoon. Het jouwe kennelijk niet.
    PS hou je niet van Komrij of zo?

    Like

  5. Henk, ik voel me niet geroepen een schatting te “bewijzen”, ook een tikkie te veel eer, vind je zelf ook niet?

    “Doe is bewijzen” is geen.stijl taal en wel zooo 2013 of zelfs eerder … man man, dat je het nog durft op te tikken.

    Ik hou van Komrij. Ik hou niet van je “voor DSR” dat je er out of the blue bovenzette. Ben je echt zo dom, of houd je je van de domme? Ik kan het niet bewijzen, maar ik denk het eerste.

    Like

  6. Misschien moesten we Henk maar gewoon met z’n allen negeren als hij zich met allerlei onfrisse opmerkingen buiten de orde plaatst.

    Hij kan zich beter beperken tot het kritsch analyseren van DSR’s schrijfsels.

    Like

  7. Uh, Apie, u komt met …”ik schat dat…50 -70 %.. zo’n schatting baseert men ergens op. En dan is het niet raar om bewijzen te vragen. Maar u begint al gelijk te draaien. En waar blijven de linkjes van waar ik meerdere reageerders voor nicht heb uitgemaakt? Die heeft u niet. Allemaal insinuaties en verdachtmakingen die u niet kunt hard maken.
    Jammer. Zoals u zelf al zegt: ik kan het niet bewijzen. Geef niet, post gerust nog is als u het wel kunt bewijzen.

    Like

  8. Ook Henks drammen en zuigen van 19.48, inclusief vragen naar de bekende weg lijkt me buiten de orde. Daar kan hij beter mee ophouden.

    DSR stelt voor deze reactie het -negeericoon- in.

    Allicht kan APD overwegen op Henks off-topic homeofobe opmerkingen op deze thread te verwijderen? Of te verplaatsen naar een soort vergaarbakje? Nu l

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s