De hoefbekapper en het Kerstlammechien

kerststerKerstnacht, drie uur ‘s ochtends. Gebons op de deur.‘Hoefbekapper, koom’n! D’r leg ‘n lammechien schauw!’. [in stuitligging – DSR]

De hoefbekapper werd grommend wakker en vloekte zachtjes terwijl hij zich langs zien wief werkte om de bedstee uit te komen. Hij rilde toen zijn voeten de koude tegels raakten. Drie minuten later zat hij in een motorzijspan, zijn adem afgesneden door de ochtendkou.

In een afgelegen schuur achterop het erf wierp een walmende olielamp een schamel licht, terwijl de wind rondhuilde.Twee knechten en de Boer stonden met stuurse gezichten rond een lammerend ooi. De knechten begroetten hem met een kort ‘heui!’. Bij de grootsige Boer kon er zoals gewoonlijk nauwelijks een knikje vanaf. Dit wekte bij de hoefbekapper altijd wrevel. Het was een gebrek aan erkenning, waartegen hij als agro-veterinair dienstverlener, zoals hij in het telefoonboek stond vermeld, nochtans machteloos was.

De hoefbekapper waste zijn grote harige handen, nog beter als voor de zondagse rollade, en naderde de ooi vanachter. De knechten maakten eerbiedig plaats. Hij knielde achter het amechtig hijgend ooitje, dat al een hele lijdensweg achter de rug had.

“Ek worde altied pas e’roep’n as de Dood de de drumpel stoat’”, mompelde hij tegen zichzelf. “Hoe lange hi’j al mit mekoare mit dat beessien an ‘t martel’n e’west?”, vroeg hij. De knechten keken naar hun tenen en mompelden wat.

Boer zei eerst niets, keek zelfs niet naar de hoefbekapper, maar het stompje van zijn rolsigaret lichtte fel op in het halfduister. “Et ies van belang, hoefbekapper, dat zowel a’j ‘t schoap as ut lam redd’n” klonk het plots afgemeten.

lamZijn hand gleed zachtjes in het opgezwollen achterlijfje. Het ooitje, eigenlijk nog te jong om drachtig te zijn – geen wonder dat het te vroeg kwam – blaatte zachtjes en klagelijk.

Het mag geen verbazing wekken dat de boeren de hoefbekapper hadden geroepen in plaats van de veearts. Ten eerste, en dat stond altijd voorop, was hij goedkoper. Ten tweede verstond hij zijn vak. Want hoewel de hoefbekapper wanstaltig grote klauwen had met eelt op vingers en handpalm, overal toegedekt met stug zwart haar, ging hij te werk met een grote zachtheid. Een zachtheid die in de grootst mogelijke tegenspraak stond met zijn ruige behandeling van weerspannig hoefvee en met zijn reputatie als drinker en vechtersbaas in de naburige herbergen.

elfjeDe boeren die echt om hun vee gaven, erkenden in hem nog een andere kwaliteit: die van engeltjesmaker.

Want wanneer de hoefbekapper zijn klauwhand naar binnen had gebracht en een dwarsliggend lammetje had vervat, dan kon hij al gauw merken of het levensvatbaar was. De frequentie van het bonzend hartje en de kracht waarmee het lammetje aan zijn pink zoog, vertelden hem genoeg.

Als het moest, bracht hij duim en ringvinger om het halsje van het ongeboren lam. Een klein tikkien … even spande het lammetjeslijf zich aan … om zich dan voor altijd te ontspannen. De hand van de hoefbekapper had gevoeld als de moederschoot. Kou, honger en verstoting door de moeder tijdens zijn korte leven, het werd ‘t lammetje allemaal bespaard. Maar soms, heel soms, als de dag slecht was begonnen, de hoefbekapper wist zelf niet waarom…dan kneep hij ook wel eens een gezond lammetje kapot. Zomaar.

De deur ging open, de koude wind waaide naar binnen. “Is et lammechien d’r al va?” vroeg een klein meisje dat meteen hartverscheurend begon te hoesten.

“Doortje toch!” riep de Boer. “Mien meissien, ie heur’n in bedde ligg’n, die dokter was d’r ielemoale niet gerust op!”

De hoefbekapper voelde het razende hartje van het lammetje tekeer gaan en voelde dat ‘t een groot, gezond beestje was.

”Mama had e’zegd dat ek d’rbij mogte weez’n as Marregien et lammegien kreeg!” zei Doortje tussen twee hoestbuien door.”Mar kintien, ie hebb’n et zo te pakk’n. Ie mutt’n van de dokter in bedde bliem’n.”

De Boer gebaarde met een hoofdknik aan een van de knechten dat het meisje weer terug naar de woonstee moest worden gebracht. Morgenochtend zou hij de huusholdster weleens d’r vet geven, want die zou beter op moeten passen.

Als er toch iets met zijn kleine meid zou gebeuren … Ze was het enige dat hij nog had nadat zijn vrouw zo onverwacht was gestorven. Die was tijdens het schemer de gierput ingelopen en nauwelijks levend opgehaald Ze had drie dagen ziek te bed gelegen, maar uiteindelijk waren de levensgeesten toch geweken. Teveel kwalijke uitwasemingen ingeademd volgens de dokter.

lam met jongenDoortje was ontroostbaar geweest. Het enige waarbij ze kracht vond, was Marregien, de drachtige ooi die ze van d’r moeder had gekregen. Doortje leefde toe naar het voorjaar, als het lammetje komen zou. De Boer vloekte inwendig. Dat nou juist dàt schaap zo vroeg moest komen te werpen. Schoot het nou al eens op?

“Allee hoefbekapper, is d’r al ies wat?”, snauwde hij bits. De hoefbekapper verstrakte. De woorden van de stugge boer troffen hem als een zweepslag. Even werd alles zwart voor zijn ogen. De duim van de hoefbekapper, die op het lammerhartje rustte, drukte zonder moeite het ribbekastje in. Nog voordat de botjes kraakten, stond het hartje al stil. Het voelde … lekker … voor een duizelingwekkend moment. De hoefbekapper haalde diep adem. ”Boer”, zei hij, ”hij hef et niet e’haald”

“Verdulemme,hoefbekapper lilukke prutser, verdulleme!”,schreeuwde de Boer, terwijl hij z’n pet op de grond gooide. “Boer, now mu’j mi’j niet te noa koom’n…”, zei de hoefbekapper zacht, terwijl hij zijn vinger ophief.

“Ie kunn’n oen cent’n krieg’n, hoefbekapper, mar dan metene..”.

“Stil ies effenties, Boer, ek voele wat!”

En waarachtig. Achter het dikke broertje bevond zich nog een heel klein tweede lammetje. Zijn kruintje had ternauwernood het topje van de pink van de hoefbekapper beroerd.

Beide mannen keken elkaar aan. Ze wisten wat het betekende, zo’n klein lammetje. Het zou met de hand gezoogd moeten worden, elke twee uur, dag en nacht. Op een boerderij is dat niet te doen.

“Ek zal um dan ok mar verdonkeremaan’n zeker?”, vroeg de hoefbekapper, die het nekje inmiddels beet had. De Boer keek naar de grond, knikte en zei: “Joa, dat mut mar, et zal de ienige oplussuge weez’n.”

De hoefbekapper boog het hoofd. Hij voelde het levenloze lijfje van het dikke lammetje. En dacht aan het meisje, dat inmiddels weer in haar bedje lag …

stro

….

“Boer … w’ij kunn’n ‘t wel zoog’n. De kienders hebb’n toch vakaansie en teeg’n de tied dat ze weer noar schoele goan, is Doortien wel weer wat op’e’knapt.”

“Now, hoefbekapper, dat zol ‘n uutkomst weez’n!” sprak de Boer aangedaan.

”Veur ‘n gulden per dag”, voegde de hoefbekapper eraan toe.

”Keerl, ie binn’n niet wies!”, ontplofte de Boer. “Veur dat geld kan ek wel tien lammers opbreng’n. Denk ie dat de cent’n mi’j op de rugge…..” Enfin, ze maakten uiteindelijk akkoord op zes dubbeltjes en een segare.

Het was al tegen de ochtend als de hoefbekapper met een kartonnen doos vol stro en een klein zuiglam onder de arm aanstalten maakte om de thuisreis te aanvaarden.

De Boer kwam zijn kant op, op weg naar de stal om het melken te overzien. Ze hadden elkaar verder niet meer gesproken.

“Hoefbekapper …”, zei de boer. De hoefbekapper draaide zich om.Wat is ‘t?’”

“Zalugge Karst”

meisje met lam

Naschrift ”Niet kniep’n…”, zong het door het hoofd van de hoefbekapper, ”…niet kniep’n”. Steeds sneller, steeds harder, terwijl het ‘niet’ steeds zachter klonk. ”Noar huus”, dacht de hoefbekapper, ”gauw noar huus….”.

DSRAuteur: De Schrijvende Rechter. Eerder verschenen in de Hoefbekapperreeks: Appie en de Hoefbekapper.

Van dezelfde schrijver Het Geloof naar De Schrijvende Rechter. En een hele hoop Eindoordelen natuurlijk.

Advertenties

Auteur: Bas van Vuren

Schrijver. Rijmer. Kijker. Open en nieuwgierig. Kent veel beroemde mensen.

17 thoughts on “De hoefbekapper en het Kerstlammechien”

  1. De kopfoto is weer geweldig. Eerst zag ik alleen de gloeiende schapeogen, toen de hand in het achterlijf, nu de openstaande overall.

    Like

  2. Prachtig kerstverhaal, DSR. Mijn hart huilt wel voor het arme eerste lammetje. Maar ja, was die in leven gelaten, dan het 2e lammetje vast niet.

    Like

  3. Zo werd ooit ook de eerste kalkoen dood geboren maar sindsdien is de schade rijkelijk ingehaald door alle volgende kalkoenen te vullen met stuff.
    Prachtig kerstverhaal.

    Like

  4. Apie, het is natuurlijk mooi dat de bewondering van de nieuwkomers voor de coryfeeen zover gaat dat zij soortgelijke nicknames kiezen, maar Bert @11:52 lijkt wel erg veel op mijn naam  mopper-icoontje

    Like

  5. Apie, nog even dit feuilleton opnemen onder het kopje feuilletons, in de balk waarin ook home, ikjes en eindbeoordelingen enz. staan. Komt dan onder Appie en de hoefbekapper. Overigens lees ik overal ‘feuilletons, Heer Rozenwater, TimmerArk, enz., maar in het geval van ons Rechtertje is het andersom: DSR, feuilletons. Ja, hij is een klasse apart. : -).

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s