Sprong in het heelal (3)

1.Wel liefdevol gemaakt, niet liefdevol ontvangen

Lettertje ten voeten uitGroningen, 1952 Ik was 6 en moest naar de lagere school. Moeder was blij, want op de Gereformeerde kleuterschool waren er behalve ik alleen maar synodale kinderen geweest. “Daar kun je geen vriendjes mee worden,” had ze gezegd. Dus nu naar een school die strenger in de leer was: een artikel 31 omgeving met goede meesters en juffen. Dat was vertrouwd volk, want die zagen we ’s zondags twee keer in de Noorderkerk. Mijn ouders waren in de Gereformeerde kerkscheuring van 1944/45 meegegaan met prof. Schilder, oftewel ze waren “gereformeerd onderhoudende artikel 31” scheuringgeworden. Ik ben na mijn geboorte dan ook niet “verondersteld wedergeboren” gedoopt. Ik moest het zelf maar zien te rooien, dat wedergeboren worden.

Religie maakt meer kapot dan je lief is. Onder andere ons gezin.

Religie maakt meer kapot dan je lief is. Onder andere ons gezin. Later heb ik me, zo gauw dat kon, onttrokken aan de gemeenschap der Kerk. Ik had gemeenschap met een meisje gehad, dat smaakte naar meer en gaf ook meer voldoening, zodoende. Het vervoer naar de kleuterschool bestond uit mijn autoped. Een mooie rooie, met zitje annex standaard, maar zonder rem. Ik moest in mijn eentje steppen, zonder begeleiding. Vader werkte in de fabriek of was ziek thuis, want hij had een open been dat hem regelmatig aan zijn ligstoel bond. Moeder was schoonmaakster, bij mensen thuis en ook op een school, de HBS in de Grote Rozenstraat. Ik was al vaak mee geweest, dan mocht ik met een brede zachte bezem de gang vegen. Toen ik naar de grote school ging, moest ik vaker mee om te helpen. Het schoolbord schoonmaken, waarbij ik op een stoel moest staan voor de bovenkant. Of alle prullenbakken legen.

De kurk schoot er met een plop af en het spul spatte deels in de la en deels op de net aangeveegde vloer.

Het scheikundelokaal had een aparte bekoring: geen schoolbanken maar werkbanken met gaspitjes en spoelbakken met kranen. En grote laden die je kon opentrekken om de geheimzinnige inhoud te verkennen. Een hoefijzermagneet van gigantische proporties waaraan stukjes metaal zaten die ik er niet af kon krijgen. Een glazen buisje met een zilverachtige vloeistof erin. De kurk schoot er met een plop af en het spul spatte deels in de la en deels op de net aangeveegde vloer. scheikundelokaal letterzetter“Kwik!” brulde mijn moeder, terwijl ze me een flinke pets tegen mijn hoofd gaf. “Rotjong! Wat doe je er aan met je smerige rotpoten!” Mijn moeder was niet altijd diplomatiek in haar uitingen. Vader had eens gezegd dat Moeder achteraan stond toen het verstand werd uitgedeeld, maar vooraan toen het om de grote bekken ging. Ik kroop op de grond om de kwikbolletjes op te rapen. Dat viel niet mee, ze ontsnapten telkens. “Hier, snotjong, opvegen!” Er kletterde een stofblik en veger naast me op de grond. Met veel moeite lukte het om het spul in het stofblik te krijgen. Met een rood gezicht stond mijn moeder in de la te frutten, het duurde lang voor alles opgeruimd was. Voor straf mocht ik de volgende keer niet weer mee, beet ze me toe. Alsof dat een straf was!

De eerste klas van de lagere school, de S. van der Veenschool aan de Noorderbuitensingel, was een verschrikking.

De eerste klas van de lagere school, de S. van der Veenschool aan de Noorderbuitensingel, was een verschrikking. Ouderwets onderwijs, drie rijen banken in een krijtig lokaal. Klassikaal leren schrijven en rekenen, psalmversjes uit je hoofd leren. Tafels van vermenigvuldiging opdreunen. Schuin schrijven, op de lijntjes met een haperende kroontjespen die inkt spetterde vanwege het slechte papier. De juf mepte met een lineaal op je hand als ze het niet netjes vond. “Hou je hand op! Hoger!” juf met liniaalPets. Ik werd gepest door een paar kinderen. In een onbewaakt ogenblik zat ik nietsvermoedend met een vinger in mijn neus. “Juf! Juf! Hij zit in zijn neus te pulken!” Juf kwam met grote stappen op me toe, de lineaal opgeheven. “Laat dat! Hou je hand op! Hoger!” Pets. Na vieren riepen de meiden over het schoolplein: “Neusjepullekepulk!” De jongen die naast me zat zei: “Poets jij je tanden niet? Ze zijn groen en je stinkt uit je mond.” Ik kwam huilend thuis. “We hebben geen geld voor tandpasta. Hier, poets maar met Vim,” zei Moeder. Ik schudde mijn hoofd. “Nee, ik wil tandpasta!” Moeder poetste met kracht mijn tanden met Vim, mijn hoofd gekneld in de holte van haar arm. “Rotjong ook altijd.” Ik was een nakomertje en misschien wel liefdevol gemaakt maar door mijn moeder niet liefdevol ontvangen. En op school ging het nu ook niet zo goed. gereformeerde schoolfoto Letterzetter

2. “Komst nait in hemel, jong”

Vader besliste uiteindelijk dat ik na de grote vakantie naar een andere school ging. Het was een nieuwe school, pas gebouwd. Wel van de synodalen, maar dat vond hij niet zo erg.  “Je gaat naar de Bavickschool, bij de Hamburgervijver. Het is een Daltonschool.” “Wat is dat?” vroeg ik. Hij haalde zijn schouders op.  “Tja, anders dan een gewone school, ze hebben geen banken in de klas maar tafels en stoelen.” Ik zag in gedachten een klas zoals onze woonkamer. De tafel met Perzisch kleed, vier stoelen er omheen, Vader’s rookstoel naast de kachel. Gezellig.

Een week voor de school begon mocht ik met Vader mee de stad in, achterop de Mobylette. We stopten bij een fietsenwinkel.

De vakantie vloog voorbij. Een week voor de school begon mocht ik met Vader mee de stad in, achterop de Mobylette. We stopten bij een fietsenwinkel. ‘Leerling Rijwielen‘ ontcijferde ik op de winkelruit.  We gingen naar binnen, Vader liep direct door naar achteren. “Kom hier, geef meneer Leerling eens een hand,” zei hij. Meneer Leerling kneep mijn hand fijn. Hij lachte. “Dus jij komt je nieuwe fiets halen?’“vroeg hij. “Huh?” Vader genoot van mijn onthutst gezicht, hij lachte breed. “Een mooie tweedehands fiets, helemaal opnieuw gemoffeld, kijk maar.” jongen met fietsIk keek mijn ogen uit.  Er hoefden geen blokken aan de trappers, mijn spillebenen waren lang genoeg. “Is het echt een moffenfiets?” vroeg ik. Meneer Leerling schoot in de lach. “Nee, gemoffeld is dat hij helemaal nieuw in de verf zit, dat heeft niks met de moffen te maken.” Ik mocht gelijk terug naar huis fietsen. “Zo, volgende week ga je op de fiets naar school,” zei Vader. Moeder keek bezwaarlijk. “Hij kan toch net zo goed lopen,” bitste ze. “Niks ervan,” zei Vader op strenge toon. Als Vader zo’n toon gebruikte was ze stil. Net of ze een beetje bang van hem was. Het is fijn op de nieuwe school.  Juf Vermeulen van onze klas is een lieve juf. “Je hebt wel een achterstand met rekenen, maar dat werken we wel weg,” zegt ze. Ze ziet mijn gezicht betrekken. “Vind je rekenen niet zo leuk?” “Als je het niet weet en een tik met de lineaal krijgt …” “Hier wordt niet getikt of geslagen,” zegt ze resoluut, “daar hoef je  niet bang voor te zijn.” “Maar ik heb wel liever taal.”  Ze lacht.  “Het komt wel goed, jochie,” zei ze en strijkt over mijn bol.

Tafels opdreunen deden we niet en je hoefde ook geen psalmversjes uit je hoofd leren.

Natuurlijk lag er geen Perzisch kleed op de tafeltjes.  Ze waren gegroepeerd in blokjes van vier, en je mocht samen met de andere drie kinderen werken. Rekenen was niet eens moeilijk, een makkie eigenlijk. Tafels opdreunen deden we niet en je hoefde ook geen psalmversjes uit je hoofd leren. Van Moeder moest ik elke zondag een psalmvers uit mijn hoofd leren. In het begin zei ze elke regel op en dan moest ik het nazeggen, net zo lang tot ik het hele vers kon opdreunen. Ik leerde snel, maar vond het vervelend. Meestal snapte ik niks van de teksten, maar dat kwam later wel, zei Moeder.En wee mijn gebeente als ik het niet kende. Als Moeder boos werd praatte ze plat Gronings. “Komst nait in hemel, jong!” dreigde ze dan. En ik boog mijn hoofd en zei hakkelend het vers op. Toen ik goed kon lezen moest ik elke zondagavond na het eten aan tafel uit de bijbel voorlezen. Er werd elke dag uit de bijbel gelezen, maar dat deed Vader altijd. Mijn zus en Moeder hoefden nooit te lezen. Uit de bijbel lezen kinderbijbelwas voor mannenbroeders, zei Vader. Ik mocht uit de kinderbijbel lezen, het was geen echte bijbel maar het Groot Vertelboek voor de Bijbelse Geschiedenis van Anne de Vries. Na het ontbijt las Moeder wel, maar dat was een kalenderblaadje. “Scheur even een Kruimken af?” zei ze dan tegen mij. Er hing een kalender in de hoek, ‘Kruimkens van ’s Heeren tafel’ met een blok scheurblaadjes, de datum op de voorkant en een tekst op de achterkant. Ze las dan haperend en hakkelend de stichtelijke tekst. Ze besloot met een langdurig dankgebed dat ze onverstaanbaar voor zich uit mummelde. Na een tijdje keek ik door mijn half dichtgeknepen ogen of ze klaar was, dan had ze haar ogen open. Daarna kon ik gelukkig naar school. bavinckschool

3. Sprong in het heelal

Zondags mocht ik niet buiten spelen. Ik moest wel twee keer naar de kerk, lange, lange diensten. Twee-en-een-half uur was normaal.
Tijdens de preek zag je hier en daar in de kerk mannen gaan staan, omdat ze anders in slaap vielen.  Omdat ik nooit iets van de preek snapte, ging ik vast het psalmvers leren dat ik ’s avonds moest opzeggen.

Elke keer zwaaide ik naar de oudjes. Ze zwaaiden nooit terug.

Als de kerk uit ging liepen we langs een rij huizen, pal achter de kerk.
Boven de ingang stond: Bethesda. Er woonden alleen oude mensen.
Elke keer keek ik door de ramen of ik het zwembad ook zag, want in de bijbel stond dat er een bad was in Bethesda. Als het water ging kolken, sprongen de mensen erin en de eerste in het water werd dan bethesda01genezen van zijn ziekte. De mensen die hier woonden waren nog niet genezen, ze liepen achter een looprek of zaten in een rolstoel. Er woonde ook een man met een vreselijk groot hoofd. Met zo’n hoofd spring je niet zomaar in het water, natuurlijk. En je moet er vlug bij zijn. De mensen die ik zag liepen als slakken zo langzaam. Elke keer zwaaide ik naar de oudjes. Ze zwaaiden nooit terug.

Als Vader en Moeder zondagavond op visite gingen, mochten mijn oudere zus Mieneke en ik naar de radio luisteren. Een Erres, met een groen knipperend oog dat zich wijd opensperde als het goed was afgestemd. Kees, de vriend van mijn zus, kwam wel eens langs. Het licht in de woonkamer ging uit, alleen het groene oog gloeide geheimzinnig. We gingen naar ‘Sprong in het heelal’ luisteren, een spannend hoorspel. Ik moest van mijn zus vlak voor de radio zitten, zodat ik het afstemoog in de gaten kon houden. Soms hoorde je een mexicaanse hond huilen, die de uitzending stoorde. Dan draaide je heel voorzichtig aan de afstemknop en daar was het hoorspel weer. Mijn zus en haar vriend gingen achter mij zitten, Kees wilde in de stoel van Vader gaan zitten.

“Nee,” zei Mieneke, “die kraakt.”

Ze namen de andere stoel en zus ging bij hem op schoot zitten. Het was een vreselijk spannende aflevering, over monsters uit het heelal die mensen aanvielen. Er gebeurde altijd iets onverwachts. Er klonk hard gehuil en een stem schreeuwde:

spronginhetheelal01“Luitenant, pas op!”

“Gnnáah!” kreet mijn zus.

“Oohh,” zuchtte ze nog.

Gelukkig liep het goed af.

Eens kwam Henk, mijn oudere broer, het weekend thuis. Hij was 16 jaar ouder en beroepssoldaat, marinier, moest je zeggen. Het was winter en hij had een lange, groene legerjas aan. Hij hield een paar splinternieuwe schaatsen omhoog, echte friese doorlopers.

“Ik ga je scheuvelen leren,” lachte hij.

Op een stuk ondergelopen weiland achter onze wijk bond hij ze onder mijn laarzen. Hij pakte me bij de hand. “Ga maar staan,” zei hij. Voorzichtig deed ik de eerste pasjes. “Glijden!” zei hij en kneep in mijn hand. Ik gleed. En nog eens. Hij liet mijn hand los. Ik scheuvelde alsof ik nooit iets anders had gedaan. Toen we weer thuiskwamen zei hij trots tegen Vader en Moeder: “Hij kan het al, hartstikke goud!”

Ze had bijna elke maand een nieuw vriendje, ze was een knappe meid.

Het zat er van nature in, iedereen in onze familie kon goed schaatsen.
We gingen die winter samen schaatsen op het Boterdiep. Mijn broer was er niet bij, maar Mieneke haar nieuwe vriendje Koos wel. Ze had bijna elke maand een nieuw vriendje, ze was een knappe meid. Koos stond rillend aan de kant op zijn schaatsen, hij kon niet goed schaatsen. Moeder gleed uit over een strootje en viel een sterretje in het ijs. Vader lachte even maar hielp haar vlug omhoog. Ze gleed met een pijnlijk gezicht naar de kant en deed haar schaatsen af. Ze heeft daarna nooit meer geschaatst. Het was de enige keer in mijn leven dat ik tranen op haar gezicht zag.

Mijn moeder was een harde vrouw. Ik kan me niet herinneren dat ze mij geknuffeld heeft. Ze snauwde altijd. Er kwamen geen buren bij ons over de vloer, want die waren niet van onze kerk. Veel later verzuchtte mijn vader eens dat ze godsdienstwaanzin had. Hij greep wel eens in, als ze in zijn opzicht te streng was. Het uit het hoofd leren van psalmversjes vond hij eigenlijk niet nodig. Moeder zei eens: “We moeten veel bidden, dat onze kinderen goed terechtkomen, dat ze later in de hemel komen.”

Gebeden werd er veel, en lang. Eén keer per jaar kregen we ouderlingenbezoek. We moesten opgedoft klaarzitten. Er was een ouderling die dan het gebed uitsprak, zó lang dat ik er ongedurig van werd. De man wiegde ritmisch heen en weer tijdens het bidden, zijn stoel piepte en kraakte. Toen ze weer weg waren zei Moeder bewonderend: “Wat kan die man bidden, daar kun jij nog wat van leren, Hendrik.”

Vader schudde zwijgend zijn hoofd.

Je moest altijd bidden en danken. Voor en na elke maaltijd, en ’s avonds voor je ging slapen. Je moest voor iedereen bidden, armen en zieken enzo. Omdat ik op de onverwarmde zolder sliep hoefde ik ’s winters niet op mijn knieën voor het bed bidden, dat mocht onder de dekens. In de zomer was het vaak loeiheet, dan moest ik op mijn blote knieën. Als Vader en Moeder dan later op de avond gingen slapen bleef de slaapkamerdeur op een kier, wegens de warmte. Eens hoorde ik dat Vader bad. Ik dacht dat hij op zijn knieën voor het bed lag, hij mocht natuurlijk tegen het bed leunen, vanwege zijn zere been. Het bed kraakte ritmisch en ik hoorde hem smeken: “God, o God, o Gód…”

grotezus

 

Auteur: Letterzetter Letterzetter

Advertenties

Auteur: Bas van Vuren

Schrijver. Rijmer. Kijker. Open en nieuwgierig. Kent veel beroemde mensen.

109 thoughts on “Sprong in het heelal (3)”

  1. Goed beschreven, die tijd, het liefdevolle gebaar van de broer die schaatsen meenam voor je, wetend dat je er in mom van tijd mee kon schaatsen. Scheuvelen.

    Op de foto een knappe meid met een net zo’n knap broertje.

    Denk je dat de kerkelijke verveling je nog iets goeds heeft gebracht?

    Like

  2. Wat ben ik hier net verdrietig van geworden.

    ´Soms hoorde je een mexicaanse hond huilen, die de uitzending stoorde.´
    Dan denk ik opeens aan Captain Beefheart en aan de oudere Tow Waits.

    ´Er woonde ook een man met een vreselijk groot hoofd. Met zo’n hoofd spring je niet zomaar in het water, natuurlijk. En je moet er vlug bij zijn. De mensen die ik zag liepen als slakken zo langzaam. Elke keer zwaaide ik naar de oudjes. Ze zwaaiden nooit terug.´

    Doet me denken aan een boekje dat ik heb gelezen over een mix van een leprozen colonie en een witte boorden gevangenis. Heb de auteur een half jaar geleden via Facebook een compliment gemaild. Hij mailde toevallig van de week terug. Hij geeft nu les, eerst was hij uitgever en oplichter, mooie combinatie eigenlijk, als je erover denkt.

    ´“Wat kan die man bidden, daar kun jij nog wat van leren, Hendrik.”

    Vader schudde zwijgend zijn hoofd.´

    Ik hoorde net dat premier Rutte zei dat we de holocaust moeten blijven herdenken tijdens een speech in de Hollandse Schouwburg die hij, bij het aantreden van zijn eerste kabinet niet eens wist te plaatsen. De man groeit kennelijk. Net als jouw vader?

    ‘Eens hoorde ik dat Vader bad. Ik dacht dat hij op zijn knieën voor het bed lag, hij mocht natuurlijk tegen het bed leunen, vanwege zijn zere been. Het bed kraakte ritmisch en ik hoorde hem smeken: “God, o God, o Gód…’

    Heerlijke uitsmijter.
    Mag ik misschien later op de avond nog eens reageren? Ik weet niet zo goed wat ik met mijn nachtelijke uren aanmoet these nights and times.

    En ik wordt dan wel verdrietig van wat je schrijft, het biedt echter ook troost.

    Like

  3. Sprong in het heelal. Als je tijd het Letterzetter moet, nee, zou je een mooi programma van gisterenavond terug kunnen luisteren. Het was op radio vijf van 22:00 tot 23:00 en was weliswaar een herhaling maar ook een zeer inspirerend uurtje over staan op de schouders van reuzen, ouwe reus, deze keer over Kepler. Over o.a. zijn derde wet, ook wel bekend als de derde wet van Kepler die nu nog gebruikt wordt bij het identificeren van Exoplaneten. Das wel knap niet? Een wet bedenken die vierhonderd jaar later nog steeds zijn nut bewijst.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s