Waarom ik altijd weer uitkijk naar Kerstmis

D’r stond weer eens een meisje met zwavelstokjes voor de deur. Lekker ding. Klapperende knietjes, rank middeltje. Plukjes haar onder het mutsje vandaan. En van die vragende ogen. Of ik oude kranten had. Nee dus. Ook geen nieuwe. Maar ze kwam graag even binnen.

Of ik al een kerstboom had, vroeg ze. ‘Een piek en twee ballen!’ antwoordde ik. De boom zelf, daar was ik nog niet aan toegekomen. Te druk, te koud, teveel gedoe. Ik vroeg of ze iets wilde eten. Als het maar warm en kleverig is, knikte ze enthousiast. Verder lezen Waarom ik altijd weer uitkijk naar Kerstmis

Advertenties

Is dit een grap of om te weinen?

Door omstandigheden ben ik met een huurauto met Duits kenteken onderweg in Nederland. Als ik het parkeerterrein van mijn hotel in Scheveningen wil verlaten, doet de slagboom het niet.slagboom

Een medewerker van het hotel – een vriendelijke jongeman van in de twintig met een pet – komt gedienstig naar buiten en laat me door.

“Ein prettiges Tag!” wenst hij me joviaal door het open portierraam toe.

Als ze weer eens iemand gaat begraven, dan sta ik daar weer, hebben we afgesproken

Eindelijk zon. Ik besluit de boodschappen te combineren met een fietstochtje door Amelisweerd. Diep in gedachten kom ik Utrecht weer binnen en wacht op groen. Als ik mag oversteken blijven de auto’s maar doorrijden.

„Het is groen, ik ben aan de beurt”, roep ik zonder veel effect. Ik waag het erop en zoek een doorgang. Nadat ik met veel moeite de overkant bereik, roept een vrouw uit een van de auto’s: „Toon toch respect, stomme kut!” Ik kijk over mijn schouder. Pas dan vallen me de witte strikjes aan de antennes op en rijdt de laatste wagen van de begrafenisstoet voorbij …

Tot zover het “ikje” van Renate Hilderink, heden verschenen in de NRC. De “Hikjesman” voegde er heden (op drasties) zijn geheel eigen vervolg aan toe:

…. “Ken je je dooie niet ergens anders begraven, eikel!” schreeuw ik, steek mijn vinger op en vervolg mijn weg. Ik hoor achter mij de gierende banden van een auto. De auto heeft zich uit de begrafenisstoet losgemaakt en komt in volle vaart op me af. Ik kan nog net opzij springen.

Maar het portier vliegt open en een woedende vrouw stapt uit. “Je bent een respectloze kut!” roept ze.

“Ja, dat zei u net ook al”, merk ik waardig op en laat er goedmoedig op volgen “toe lief mensje, ga terug in de stoet, ga je man, broer, holmaat, of wat het ook was lekker begraven, en kom dan later eens bij me langs. Drinken we d’r een kop koffie op.”

Ik geef haar mijn kaartje en stap op mijn fiets. Achter me hoor ik zacht snikken. Ik beheers me en rijd door, want dit hikje zou anders echt te lang worden.

Ik moet namelijk ook nog beschrijven dat ik door al dat gedoe wel mijn lekkere Amelisweerdgevoelens kwijt was. En er thuis achter kwam dat ik mijn volle boodschappentas ergens had laten liggen. En dat die vrouw diezelfde avond nog bij me langs kwam en dat ze de tas bij zich had! Dat we samen nog een fles cognac hebben leeggedronken en gegierd hebben van het lachen.

Als ze weer eens iemand gaat begraven, dan sta ik daar weer, hebben we afgesproken.

Ontdekking op de WC

Mijn 11-jarige zoon verdwijnt in de WC. Het duurt wat langer dan gewoonlijk. Dan horen we hem doortrekken.

Even later gaat de deur open. Hikkend van de lach komt hij eruit. Vragend kijken we hem aan.

“Voordat ik ging … “, giert hij, ” … woog ik 64,2. En nu 63,8!”

Ik ben dus moslim

Zaterdagmiddag 21 juli 2012. Bushokje ergens op het platteland. 

Ik kijk hoelang het nog duurt voordat de bus komt en ga dan op het bankje zitten. Naast een mevrouw. Ze is klein, gezet, draagt een hoofddoek en heeft een stuk of drie boodschappentassen aan haar voeten.

“Hoe lang nog?” vraagt ze zonder enige aanloop.

“Nog tien minuten” antwoord ik droog, gevolgd door een “het had erger kunnen zijn”.

“Ja, het had erger kunnen zijn”, herhaalt ze.

Ik kijk weer voor me uit.

“Bent u moslim?” vraagt ze. Opnieuw zonder aanloop.

“Nee”, zeg ik.

Ik ben niet iemand die met veel plezier kletspraatjes met onbekenden voert. Maar ik kijk haar nu, met een flauw glimlachje, wat beter aan.

“Protestant?” vraagt ze.

“Nee”, zeg ik.

“Katholiek?” dringt ze aan.

“Nee, ik ben eigenlijk van alles wat. Of misschien wel niets”.

“Atheïst?”, concludeert ze en kijkt me aan voor een bevestiging.

“Ja, atheïst”, knik ik, en neem aan dat het verhoor daarmee is afgerond.

“Kent u de Koran?” vraagt ze, “ik bedoel, weet u wat dat is, heeft u er weleens van gehoord?”

“Ja”, zeg ik. “maar ik heb de Koran nooit gelezen.”

“Dan bent u moslim”, stelt ze vast. “Als u weet dat de Koran bestaat, dan bent u moslim.”

Ik knik geamuseerd. Maar ze kijkt me ernstig aan.

“U moet dus nooit meer zeggen dat u atheïst bent. Dat is verkeerd”.

“Ik zal eraan denken”, antwoord ik, “Ik ben dus moslim. Dank u wel.”

Je zal maar in die bus gezeten hebben

“Wat een kloteleven heb ik toch eigenlijk!” klinkt ineens een mannenstem door de overvolle stadsbus. Het geroezemoes houdt op. We kijken om ons heen.

“Een kloteleven zeg ik!” Schoolmeisjes halen dopjes uit hun oren. Frummelen aan hun  Iphones. Een oudere vrouw kijkt bezorgd. Een klein jongetje, dat aan de hand van zijn moeder een plaats had gevonden bij de klapdeur in het midden, valt om. Zijn moeder kan hem nog net overeind houden.

“Een tering tering kloteleven. Dat is het!” klinkt het keihard door de bus. Sommige passagiers staan op en proberen over de mensen die in het gangpad staan heen te kijken. Ik blijf zitten.

De bus rijdt nu door de buitenwijken van de stad. Dat is eigenaardig, want het bestemmingsbordje vermeldt “Centraal Station”. En het duurt niet lang of de bus rijdt de bebouwde kom uit. In de verte doorklieft een blauwgele trein het groene polderland.

Mensen om me heen beginnen te giechelen. Zeker zo’n flash mob? Waar zijn de acteurs? Waar zijn de camera’s? Mobieltjes worden tevoorschijn gehaald, klaar om te klikken. Voor je het weet heb je een hit op Youtube.

Wie er het eerst mee begint, is niet duidelijk, maar al gauw klinkt er een schallend “we hebben een potje met vet” door de stadsbus. “Het is net een schoolreisje!” schatert een vrouw met een volle boodschappentas. Een klein meisje begint te huilen. “IPodje podje podje podje ve-he-het, al op de tafel gezet, terereeehhh …

“Koppen dicht!” brult een zwaargebouwde kerel achter in de bus. “Er huilt een klein meisje!” Het gezang houdt op. “Maddy?” klinkt het ergens hoopvol.

“Wat een klote klote kloteleven!” wordt er voorin weer geroepen. De bus draait nu een smal weggetje op, naar een dijk.

“Wie is die man toch?” vraagt een oudere heer met een krant in zijn hand. Niemand weet het. De bus is zo overvol, dat alleen de allervoorsten het raadsel zouden kunnen oplossen.  Maar wij zitten achterin. En het gangpad staat zo vol dat we niets zien.

Dan klinken er verschrikte kreten. De bus rijdt op een brede dijk, met aan beide kanten water zover het oog kan zien.

“Wie is die man?” herhaalt het heertje met een ongeruste klank in zijn stem.

“Dit kloteleven heeft geen zin meer!” De woorden galmen nu onheilspellend door de bus. En ineens realiseren we ons dat de wanhopige stem uit de intercom komt. De bus maakt een scherpe bocht, we rollen over elkaar heen, en we verdwijnen in de grauwe golven.

Wat mijn buurman vanochtend tegen een vrouw zei

Mijn buurman vertelde dat hij vanochtend met zijn honden ging wandelen. Een wat oudere vrouw kwam hem tegemoet. Ze riep vanuit de verte: “Kunt u die honden aanlijnen alsjeblieft?”.

“Nee!”, riep de buurman, “dat hoeft niet, ze doen niets!”

“Jawel” riep de vrouw, “Ze snuffelen onder mijn rok, aan mijn achterwerk!”

“Tja”, riep mijn buurman, “dan ruikt u daar misschien niet zo fris!”

“Nee! Dat heb je echt gezegd???” riep ik uit.

“Echt waar”, zei hij. En hij liep verder. Met zijn honden. Dat is mijn buurman.

 

Ik hou nog niet van golfen

Buiten onder het balkon van mijn hotel stopt een autootje. Een oude van dagen zwaait zijn benen half uit de auto en doet zijn golfschoentjes aan. Met een kam in de hand loop hij naar de koplamp, verstelt daar iets, of zag hij een vliegenpoepje, en kamt zorgvuldig zijn haar.

Dan groet hij een andere oude van dagen die met een al even klein autootje en een al even zo geringe snelheid zojuist heeft ingeparkeerd. Vlak naast de zijne, hoewel het parkeerterrein groot en leeg is. Vrienden. Ze gaan golfen.

Maandagochtend. De rest van Nederland werkt. En ik kijk naar ouden van dagen. Over twintig jaar mijn beurt? Ik hou nog niet van golfen.

Uit: Ochtendschimmen, verzameld werk,© 2012 Apiedapie

Wat omlaag gaat, gaat ooit weer omhoog

Vanwege mijn drukke beroep ga ik zelden naar de dokter. Maar als ik dan ga, dan kaart ik altijd meerdere opgespaarde kwaaltjes aan.

Vorige week had ik er vier: problemen met lezen, een stijve nek, slecht kunnen slapen, en een wat verminderde potentie.

De dokter onderzocht me en vroeg: “Heeft u stress?”

Ik antwoordde: “Niet meer dan anders.”

Hij gaf me een recept voor slaaptabletten en verwijsbriefjes voor de oogarts en voor de masseur. Het potentieprobleem zat waarschijnlijk tussen de oren.

“Stress”, zei hij terwijl hij mij uitliet. “Is het soms de beurscrisis, heeft u veel verloren de afgelopen jaren?”

Op mijn bevestigende antwoord lachte hij: “Niet te zwaar nemen. U kent het gezegde: wat omlaag gaat, gaat ooit weer omhoog!”