Appie en de hoefbekapper

smidDit is een spannend verhaal geschreven door DSR op verzoek van Apiedapie, d.d. 25 november, 2014, 11:54. Het verzoek luidde als volgt:

“Ik durf het bijna niet te vragen, DSR, maar ik zou graag willen dat die rauwe hoefbekapper het jongetje ergens op een hooizolder, of beter nog in een donker schuurtje, inwijdde in andere geheimen des levens. Zodat we lekker kunnen griezelen. Zou dat kunnen, denk je?”

Zitten jullie allemaal klaar? Hier komt het verhaal! 

De hoefbekapper had de hele dag gewerkt. Het was niet meegevallen. De dikke bolle was in een pestbui geweest en het was een hele toer geweest om ‘m in bedwang te houden.

Zijn rug voelde klam van het zweet, en het was alsof er aan het puntje van iedere baardhaar een druppeltje prikte.

Verder lezen Appie en de hoefbekapper

Advertenties

Je zal maar in die bus gezeten hebben

“Wat een kloteleven heb ik toch eigenlijk!” klinkt ineens een mannenstem door de overvolle stadsbus. Het geroezemoes houdt op. We kijken om ons heen.

“Een kloteleven zeg ik!” Schoolmeisjes halen dopjes uit hun oren. Frummelen aan hun  Iphones. Een oudere vrouw kijkt bezorgd. Een klein jongetje, dat aan de hand van zijn moeder een plaats had gevonden bij de klapdeur in het midden, valt om. Zijn moeder kan hem nog net overeind houden.

“Een tering tering kloteleven. Dat is het!” klinkt het keihard door de bus. Sommige passagiers staan op en proberen over de mensen die in het gangpad staan heen te kijken. Ik blijf zitten.

De bus rijdt nu door de buitenwijken van de stad. Dat is eigenaardig, want het bestemmingsbordje vermeldt “Centraal Station”. En het duurt niet lang of de bus rijdt de bebouwde kom uit. In de verte doorklieft een blauwgele trein het groene polderland.

Mensen om me heen beginnen te giechelen. Zeker zo’n flash mob? Waar zijn de acteurs? Waar zijn de camera’s? Mobieltjes worden tevoorschijn gehaald, klaar om te klikken. Voor je het weet heb je een hit op Youtube.

Wie er het eerst mee begint, is niet duidelijk, maar al gauw klinkt er een schallend “we hebben een potje met vet” door de stadsbus. “Het is net een schoolreisje!” schatert een vrouw met een volle boodschappentas. Een klein meisje begint te huilen. “IPodje podje podje podje ve-he-het, al op de tafel gezet, terereeehhh …

“Koppen dicht!” brult een zwaargebouwde kerel achter in de bus. “Er huilt een klein meisje!” Het gezang houdt op. “Maddy?” klinkt het ergens hoopvol.

“Wat een klote klote kloteleven!” wordt er voorin weer geroepen. De bus draait nu een smal weggetje op, naar een dijk.

“Wie is die man toch?” vraagt een oudere heer met een krant in zijn hand. Niemand weet het. De bus is zo overvol, dat alleen de allervoorsten het raadsel zouden kunnen oplossen.  Maar wij zitten achterin. En het gangpad staat zo vol dat we niets zien.

Dan klinken er verschrikte kreten. De bus rijdt op een brede dijk, met aan beide kanten water zover het oog kan zien.

“Wie is die man?” herhaalt het heertje met een ongeruste klank in zijn stem.

“Dit kloteleven heeft geen zin meer!” De woorden galmen nu onheilspellend door de bus. En ineens realiseren we ons dat de wanhopige stem uit de intercom komt. De bus maakt een scherpe bocht, we rollen over elkaar heen, en we verdwijnen in de grauwe golven.

In Mumbai stond ik in de file. En hoe! (2)

In de taxi die me van het vliegveld naar de stad hobbelde, begon de chauffeur onmiddellijk zijn verhaal. Om de paar minuten keek hij me daarbij via zijn spiegeltje aan. Elke Mumbaier, zo zou ik al snel ontdekken, begon ongevraagd over 26/11 te praten. Het drama zat nog altijd in de hoofden.
 
De geruchten waren het ergst, die eerste dagen, zo vertelde hij. Een busje met zwaar bewapende commando’s reed rond en zaaide dood en verderf. Je was nergens veilig. Alleen in je eigen huis. Daar keek je tot diep in de nacht naar de TV. En de volgende morgen werd je wakker met dezelfde beelden. Het hield niet op!
 
mumbai waterauto
 

“Maar taxi driver”, vroeg ik om de man af te leiden. “Hoe heet het hier nu eigenlijk? Mumbay of Bombai?  En waarom? En sinds wanneer?”
 
De chauffeur vertelde over een nationalistische partij die het een jaar of tien geleden voor het zeggen had gehad. Een rechtsig cluppie. Trots op India. En ze waren voor de vrijheid. Die partij vond dat India voor de Indiërs was en dat het engelsklinkende Bombay moest worden omgedoopt tot Mumbai. Een verandering die nog altijd niet helemaal is geaccepteerd. Mijn gesprekspartners, rasechte Indiërs, trots op hun land, waren stuk voor stuk voor Bombay, omdat dit ‘meer cosmopolitisch klinkt’. 

Maar nu wilde ik toch graag tot de kern van mijn missie doordringen. En dat was niet kletsen met chauffeurs en andere zogenaamde informanten. Dat was niet luisteren naar onzinverhaaltjes dat alle rampen in Mumbai altijd op de 26e van de maand gebeurden. Overstromingen, bomaanslagen op treinen, ja, zelfs aardbevingen en de tsunami hadden zich aan dit ongeluksgetal gehouden.
 
Ik wilde nu alsjeblieft! meharbani seh!! please!!! eindelijk!!!! met eigen ogen de plaatsen des onheils bezoeken. En snel. Waar waren de hotels? Waar was de Taj?
 
 
mumbai rode bus
 
We stonden al meer dan vier uur in de file. Een grote rode bus versperde het uitzicht. Yeah, this is Mumbai zoals ik het ken, dacht ik gelaten. 
 
Maar, hup, daar gingen we eindelijk. Luid toeterend en allerlei mensen, mensjes, dieren en diertjes op haartjes na missend ging het weer verder. Het verkeer in Mumbai is het bewijs dat God bestaat, gromde de chauffeur. Al die mensen die we net niet dood rijden.  Dat krijgt alleen God voor elkaar.
 
We naderden de wijk met de hotels. Wat zou ik te zien krijgen? Was het maar vast volgende week …

Dit is een vervolgverhaal. Deel 1 vertelt hoe ik ben aangekomen in Mumbai, nog geen twee maanden na de aanslagen van november 2008, om te kijken hoe de stad erbij ligt. Deel 2 gaat over de taxi-rit en staat hierboven. Deel 3 staat hier. En daarna komen er nog meer delen, net zolang tot de spanning niet meer zindert en we weten of er een happy of droevig einde in zit.

Alle delen zijn ook – in een andere niet zo geweldige versie – op drasties gepubliceerd. Wie de spanning erin wil houden, klikt dus niet op dat linkje. Daarom schrijf ik dit ook zo klein.

Wist je het al van mevrouw van der Pol?

Wist je het al van mevrouw van der Pol
Die kreeg het gisteren in haar bol
Mevrouw’s gemoed schoot vol
Ze sloeg, ze sloeg, ze sloeg verdorie op hol.
 
Mw. Van der Pol trok haar mantel aan
En is toen naar buiten gegaan
Daar scheen een halfje maan
Toch is zij niet blijven staan.
 
Mw. Van de Pol begon te lopen
Klom over heuvels en hopen
Is zelfs door een klein tunneltje gekropen
Totdat ze eindelijk haar nieuwe tasje kon kopen.
 
 mw. van der pol
 
Gemaakt voor Barbara Jansma, in het kader van haar beppe maaike’s ondraaglijke vertellingen Haar illustratie was de inspiratie. Dat tasje is mevrouw van de Pol’s oude tasje. dus dan begrijp je het wel. Zou ik ook van op hol slaan. Als ik een mevrouw met een tasje was.
 

Swaffelpaniek in Parijs

Parijs, 8 november 2010 – Een uit de hand gelopen onderzoek van nieuwe vkblogger Apiedapie heeft dit weekend voor grote paniek gezorgd in de Franse hoofdstad. Zijn hoogstpersoonlijke verslag van de gebeurtenissen volgt hier integraal:  

Toen ik las dat de verkiezing van het Nederlandse woord van het jaar 2010 binnenkort van start gaat, gingen mijn gedachten terug naar twee jaar geleden.  Swaffelen, oftewel het “met het mannelijk geslachtsdeel tegen een object aantikken om aldus opgewonden te raken” (van Dale), was toen de merkwaardige winnaar. Het zorgde voor bevreemding bij expats, en voor geamuseerde internationale aandacht in de media. Het was toen dat onze internationale reputatie definitief de weg naar beneden leek te hebben ingezet.   

Swaffelen bleek onvertaalbaar, ‘penish-shaking’ kwam er dichtst bij, gevolgd door de uitleg dat dit “an English slang verb” is “meaning to swing one’s exposed penis, more specifically requiring the penis in question to swing toward or bump against another person or object.” Tja … woord van het jaar 2008 in Nederland. Zucht.

Veel ophef destijds, maar is onze reputatie blijvend beschadigd? Dat vroeg ik me af. Om dat uit te vinden besloot ik te gaan reizen. Dit weekend ging ik om te beginnen naar Parijs. Ik hoop voor het einde van dit jaar ook andere hoofdsteden te bezoeken.

Bij aankomst op Gare du Nord, vrijdagavond, keek ik gespannen om me heen, toch ook wel weer een beetje bang dat iemand me als Nederlander zou herkennen. Maar de Fransen liepen net zo onverschillig en gestresst rond als altijd. Ik schoot een enkeling aan, maar gaf het al snel op. Van mijn gefluisterde vraag of “swaffelen” hen iets zei, werd geen Fransman warm of koud. Net zomin als van mijn met een Frans accent uitgesproken “penis shaking“. Ze liepen door alsof ik een bedelaar of een de weg vragende Amerikaanse toerist was. Ze namen in feite niet eens de moeite om hun neusjes voor me op te trekken. 

Ik ging naar mijn hotel en dacht na. Het enige dat er op zat was om de proef op de som te nemen. Hoe vervelend het ook was, ik moest zelf gaan swaffelen (had ik nog nooit gedaan, erewoord) en op straat kijken of voorbijgangers het zouden herkennen. En dan als typisch “Neerlandais” zouden bestempelen. Had ik maar geweten hoe vreselijk het uit de hand zou lopen.

Het begon eigenlijk best prettig. In het miniscule badkamertje nam ik eerst een douche en had daarbij een onbedoeld voortijdig swaffeltje met de wasbak. Toen zette ik mij, gehuld in mijn badjas, op het hotelbed. Met een muziekje aan om in de stemming te komen.  Ik begon voorzichtig te swaffelen.

In het begin vond ik er niet veel aan. Maar gaandeweg werd het een prettige bezigheid. Ik herinnerde me dat swaffelen staand of rondlopend dient te worden uitgevoerd. Ik begon dus rondjes door de kamer te draaien. Al gauw begaf de TV het, evenals de Victoriaanse staande schemerlamp. Ik ging meer en meer in het swaffelen op en verloor gaandeweg de beheersing over mijn daden.

Het rondlopen werd rondrennen.

Het rondrennen werd in opperste waanzin rondbonken.
  
Ik kon het op een gegeven moment niet houden en rende de gang op, het trappenhuis af, swaffelend tegen smeedijzeren leuningen en eikenhouten deuren, en stond … buiten!!! In het koude Parijs, acht graden Celsius, lichte motregen, donker.   
 
Had ik toen mijn razernij maar onder controle kunnen brengen.

Maar mijn swaffel zwaaide al tegen een lantarenpaal, een geparkeerde auto, en zelfs tegen een voorbijrijdende RATP-bus. Ik begon te draven. Eerst door het Bois de Boulogne. De dames en heren van plezier zijn daar veel gewend en konden mijn geswaffel nog uitwijken. Maar toen draaide ik de Champs d’Elysees op, de mooiste boulevard ter wereld, met die mooie lichtjes. Nu niet meer dus. Ook de Obelisk op Concorde bleef niet onbeschadigd.

Voorbijgangers bleven staan en keken sprakeloos toe, sommigen giechelden en wezen. Maar niemand leek het in verband met “Pays-Bas” te brengen. Prima! Ik had wel inmiddels een hele stoet politieauto’s achter me aan. Ik swaffelde verder en draaide de rechter Seine-oever op, het tunneltje bij Pont Alma. Ik moet werkelijk alle resterende pijlers hebben weggevaagd. Zelfs rondvaartboten werden uit het water gezwiept. Ik raasde door met papparazzis op mijn hielen. Motoren, zieken- en brandweerwagens, en anti-terreurbrigades … het leek wel een film!  

Ik zelf was, ik moet het bekennen, in uiterste staten van opwinding en kon absoluut niet stoppen. Ik kon alleen maar wilder en wilder swaffelen. Het kon niet groot genoeg zijn. Ik moest en zou … meer … steviger … woester … harder …. hoger … en toen … zag ik die enorme smeedijzeren toren aan de andere kant van de rivier. Die brug had ik niet over moeten gaan. Maar iets groters dan mij had bezit van me genomen.  

Die toren staat nu grondig uit het lood. Gustav Eiffel ligt te tollen in zijn graf. En ik zit nu hier op het commissariaat, 15e arrondissement. Met een beetje geluk kom ik volgende week vrij, zodat ik mijn onderzoek kan voortzetten.

Eerder in iets andere vorm verschenen op drasties. Voor de Volkskrant bewerkt en herplaatst op speciaal verzoek van mijn lieve vriendinnetje Dutchgoddess.