Veel lieve kinderen

1. Het sterfbed van mijn moeder

“Hoe weten ze dat?” vroeg ik aan mijn jongste broer toen hij ’s avonds belde dat Ma op sterven lag. Hij lichtte zijn familie in over het naderende einde. Niet iedereen was in de buurt, maar hij en de oudste twee (van de zes) kinderen wel.

“Ze zien lijkvlekken”.

Die nacht had ik dienst, een van onze patiënten lag in kritieke toestand op de IC. Het is met die diensten altijd een soort Russische Roulette, word je gebeld, wanneer en waarover? Is het nodig om direct naar het ziekenhuis te gaan? Zo’n soort telefoontje verwachtte ik.

Maar dit telefoontje overrompelde me. Verder lezen Veel lieve kinderen

Advertenties

Mijn vader vond zijn geluk omdat de mobiele telefoon nog niet bestond

Het was in de jaren tachtig. Het North Sea Jazz Festival vond nog plaats in Den Haag. En de mobiele telefoon was misschien al wel uitgevonden, maar nog niet echt in gebruik. Gelukkig maar. Voor mijn vader en mijn stiefmoeder. Rond deze tijd van het jaar vertellen ze het volgende verhaal aan iedereen die het horen wil. Wij – mijn zus en ik – kennen het uit ons hoofd.

Mijn vader zat in de taxi. Op weg naar North Sea Jazz. En naar misschien wel de belangrijkste date van zijn leven. Zij kwam uit Amsterdam. En hij uit Delft. Ze kenden elkaar van de middelbare school. Waren beiden voor elkaar de “eerste” geweest. Beiden waren ze met iemand anders getrouwd en ze hadden elkaar twintig jaar niet meer gezien. Op een schoolreünie waren ze weer met elkaar in contact gekomen. Haar man was overleden. En mijn vader was (gelukkig) gescheiden.

Ze hadden afgesproken elkaar in het Congrescentrum te ontmoeten, bij de jassen. Dan hoefden ze niet buiten in het gedrang voor de kassa te wachten.

“Pa!” had ik geroepen toen de taxi voorreed, “je gaat toch niet met een taxi helemaal naar Den Haag?” Hij had me alleen aangekeken. Dit is belangrijk, straalde hij uit. En ik keek ineens begrijpend naar zijn kortgeknipte haar en zijn nieuwe leren jasje. Ik gaf hem een vriendschappelijke stomp in zijn maag. “Ga d’r voor”, fluisterde ik, “je hebt het zo verdiend!”

Het Congresgebouw kwam in zicht. Toeterende auto’s, piepende trams, voortschuifelende voetgangers, allemaal in dezelfde richting. Een avondje uit voor de meesten. Voor mijn vader veel meer. “Hoeveel krijgt u van me?” vroeg hij afwezig aan de taxichauffeuse, een gezellige vrouw van middelbare leeftijd.

“Oh!” Hij voelde zich ineens draaierig worden. Zijn kaartje! Hij zag het thuis nog voor de spiegel liggen. Of ze om kan draaien? Naar Delft heen en weer en toch nog op tijd …? Nee, besefte hij. Nieuw kaartje kopen? Uitverkocht, wist hij, heel erg uitverkocht. Er was absoluut geen enkele mogelijkheid om zijn date te laten weten dat hij niet naar binnen kon. De doffe wanhoop moet bijna voelbaar geweest zijn, daar op de achterbank van die taxi.

De taxichauffeusse draaide zich om. “We rijden een rondje om,” zei ze lief, “naar de boulevard.” Het geluid van de motor kalmeerde mijn vader, en vreemd genoeg gleed de stress van hem af. Ze draaide zich weer naar hem om en keek hem aan. “Kom maar naast me zitten”.

En hier maken ze het verhaal altijd kort. Ze vonden dus hun geluk. In die taxi. En inmiddels zijn ze gelukkig getrouwd en al heel lang gepensioneerd. Zij schrijft stukjes. Mijn vader luistert veel naar muziek. Ze zijn een echt gelukkig paar. En dat allemaal omdat de mobiele telefoon toen nog niet echt was uitgevonden. En dankzij, maar ook ondanks … North Sea Jazz!

Bijna dood in de Australische woestijn

Een gescheiden vader gaat samen met zijn 5-jarige dochter kamperen, ergens heel diep in de Australische woestijn. Hun auto vliegt in de brand. Ze zijn honderden kilometers van de bewoonde wereld. Ze hebben alleen maar wat water en ze lopen in de brandende zon tegen beter weten in te dwalen. ’s Nachts schuilen ze huiverend bij elkaar. Het duurt al zeven dagen en nachten. Het einde is nabij.

Het meisje zakt in elkaar. De vader weet dat zij niet lang meer te leven heeft. Zelf kan hij ook niet meer. Het water is op. De zon brandt genadeloos. En ze hebben al die tijd niets gegeten. Dan horen ze een helikopter, de man zwaait met zijn hemd, schreeuwt met schorre stem tegen de hemel … maar de helikopter vliegt weg. Geschokt draait mijn zoon zich om: “Nu is het afgelopen!” zegt hij in wanhoop, “dat was hun laatste kans”.

Ik kijk met hem naar een episode van “I shouldn’t be alive“, een tv-serie op Animal Planet over mensen die aan de dood ontsnapt zijn. Ze spelen zich meestal af in de vrije natuur – met lawines, schipbreuken, bosbranden of andere rampen – en laten zien hoe de hoofdpersonen het nèt redden. Gebaseerd op echte gebeurtenissen.

Het is deze keer wel heel confronterend. Ik zie aan mijn zoon dat hij de spanning nauwelijks meer trekt en ik overweeg om naar een andere zender te zappen. Het gaat over een vader met zijn kind. Mijn zoon vereenzelvigt zich te veel met het meisje. En ik met de vader, als ik eerlijk ben.

Uiteindelijk zakt de vader door de knieën en graaft in uiterste wanhoop met zijn blote handen een ondiepe kuil, om zijn stervende dochter nog een beetje schaduw te bieden. Mijn zoon draait zich diepgeschokt naar me om. “Dat kan haar graf zijn, papa!” roept hij uit. Dat zat ik me net ook te bedenken. Zo treurig. Zo erg. Ik moet dit afzetten.

De vader graaft huilend door. Het meisje beweegt niet meer … ineens draait mijn zoon zich naar me om. Zijn gezicht is een en al opwinding, verrukking en heel grote opluchting.

“Papa!” zegt hij nadrukkelijk en met een stralende lach die je alleen maar hebt als je net iets groots hebt ontdekt, “als ze gefilmd worden … dan zijn ze niet alleen! Er is een cameraman bij! Die kan ze redden!!”

de trailer staat hier:
a dad’s worst nightmare

Ik ben een meisje

“Niet te dichtbij je gezicht!”
 
’’Als hij het niet doet, dan ga je er NIET naar toe, gewoon laten liggen!’’
 
Het zijn dit soort goede raadgevingen die mij tijdens de laatste week van het jaar het mikpunt maken  van meewarig commentaar van mijn zoon.  Als man kan ik me zijn opwinding bij het vuurwerk best voorstellen. Ik ben zelf ook een jongen geweest. Maar als vader wil ik hem de jaarwisseling ongeschonden zien door komen.
 
“Je bent een rund als je met vuurwerk stunt”, die gouwe ouwe slagzin kwam als vanzelf iedere keer bij me op.  Op ons maakte dat nog indruk.
 
Maar hij weet alles al, heeft zelfs, oh gruwel, op YouTube gezien hoe je verschillend vuurwerk met elkaar combineert, hij is een ‘professional’.
Elf jaar oud. Drie jaar geleden hield hij het nog bij sterretjes. Een veiligheidsbril gaat zeker niet op, want dan lacht iedereen hem uit, zegt hij.
 
Zijn ultieme minachting voor me kwam er vanmorgen uit. Hij liet me niet eens meer uitpraten, maar stormde weg.
 
“Meisje!” riep hij over zijn schouder, “Je bent een meisje!”

En we gaan nog niet naar ’t huis

 

En we gaan nog niet naar ‘t huis
Verpleeghuis, verpleeghuis

En we gaan nog niet naar ‘t huis
Verpleeghuis is niet pluis.

En al was het pleeghuis pluis,
Dan gingen we niet, dan gingen we niet
En al was het pleeghuis pluis,
Dan gingen we niet naar ‘t huis.

Nooit naar ‘t huis gaan nooit naar ‘t huis gaan

Laat mijn moeder niet naar ’t huis gaan

Nooit naar ‘t huis gaan nooit naar ’t huis gaan

Laat mijn vader niet naar ’t huis gaan.

 

En we gaan nog niet naar ‘t huis
Verpleeghuis, verpleeghuis

En we gaan nog niet naar ‘t huis

Verpleeghuis is niet pluis.