Wat mijn buurman vanochtend tegen een vrouw zei

Mijn buurman vertelde dat hij vanochtend met zijn honden ging wandelen. Een wat oudere vrouw kwam hem tegemoet. Ze riep vanuit de verte: “Kunt u die honden aanlijnen alsjeblieft?”.

“Nee!”, riep de buurman, “dat hoeft niet, ze doen niets!”

“Jawel” riep de vrouw, “Ze snuffelen onder mijn rok, aan mijn achterwerk!”

“Tja”, riep mijn buurman, “dan ruikt u daar misschien niet zo fris!”

“Nee! Dat heb je echt gezegd???” riep ik uit.

“Echt waar”, zei hij. En hij liep verder. Met zijn honden. Dat is mijn buurman.

 

Advertenties

Met mijn opa kon ik trommelen

Mijn opa had een vierkante kop. Van zijn vriendelijke maar ook strenge gezicht herinner ik me de ruwe stoppelige wangen en de flinke neus met een Godfried-Bomansbril erop. Hij zat in een lage leunstoel, waar niemand anders in kwam, en las me voor uit Het Beste van Readers Digest.  Jules Verne stond in de kast naast de dikke groene Brehms dierenencyclopedie. Samen bladerden we en lazen verbaasd over vogelbekdieren en lynxen, en we bewonderden de tekeningen van struisvogels en olifanten. Zijn boek over “UFO’s in de lage landen” heb ik nog altijd ergens in een verhuisdoos.

Mijn opa was een handwerker en ook thuis laste en timmerde hij er op los. Opa kon maken wat zijn ogen zagen. Het was geen verfijnde handenarbeid met tierelantijntjes. Zijn creaties waren functioneel en stevig. Het aquarium dat hij voor mij in elkaar laste woog op zijn minst 500 kilo. Ik had er een school zeehonden in kunnen houden. Ook het vogelnestkastje was niet stuk te krijgen.

Mijn opa kon op elk muziekinstrument spelen. Zonder oefening. Hij speelde in het dorpsorkest klarinet, trompet, trombone, saxofoon en nog zo wat. Ik herinner me zijn getuite lippen aan het rietje van de klarinet. Zijn bolle wangen en rode hoofd bij de trompet. En zijn spuug uit de saxofoon. Op zondagmiddag bracht ik mijn blokfluit mee. Of mijn Hohner mondharmonica. Ik speelde hem dan trots mijn liedjes voor. Hij prees mijn spel en gebaarde vervolgens “geef eens”. En met open mond hoorde ik hem ineens “Zie ginds komt de stoomboot” uit mijn harmonica halen. En “In Excelsis Deo” uit de blokfluit. Verzoeknummers? Hij speelde ze allemaal, na één of twee keer proberen. En zag hij ergens op een familiefeest een piano of een elektronisch orgel, dan ging het daarop ook.

Toen ik eens in de zomervakantie bij mijn opa en oma logeerde, nam hij me mee naar een repetitie. Hij bleek die avond de paukenist te zijn, ergens achter in het orkest. Ik zat heel stil naast hem op een krukje op het podium en keek tegen de ruggen van de andere muzikanten aan. Van de dirigent zag ik alleen het opgewonden hoofd en het stokje. En daar achter een grote zaal vol lege stoelen.

Hier, gebaarde opa, sla ook maar een beetje mee, en hij gaf me een stok met een zachte bal van vilt aan het uiteinde. Eerst zachtjes, maar steeds harder sloeg ik er op los. Maar ik werd te enthousiast. Nooit zal ik vergeten hoe de dirigent zich ineens groter maakte en scherp naar mijn opa keek. Met die blik viel niet te spotten. Nooit zal ik vooral het lieve bedremmelde gebaar van mijn opa vergeten die mij maande om de stok maar aan hem terug te geven. Mijn grote opa, die blijkbaar moest luisteren naar een andere meneer. Hij was dus niet oppermachtig.

Mijn opa is dat nu wel. Hij rust in vrede.